Header achtergrond
Header achtergrond

Staatssecretaris Wiebes geeft ZZP’ers en opdrachtgevers duidelijkheid

03-02-2017

De brief, die door de Belastingdienst vandaag is gestuurd aan alle ZZP’ers met een VAR, biedt eindelijk de duidelijkheid, die nodig is om als echte ZZP’er opdrachten te kunnen vervullen, zoals voorheen met de VAR. De hand van Staatssecretaris Eric Wiebes is zichtbaar, hij heeft zijn beloften waar gemaakt. Feitelijk is voorlopig de situatie van de VAR terug en wel tot 1 januari 2018, maar dat kan worden verlengd als meer tijd nodig is voor een definitieve regeling. Wij menen dat er nu niet teveel haast meer behoeft te worden gemaakt, de VAR is feitelijk terug ... prima zo, niets meer aan doen!

De brief geeft aan, dat er niet alleen geen boetes worden opgelegd, maar ook de keuze van opdrachtgever en opdrachtnemer voor het niet willen van een arbeidsverhouding wordt gerespecteerd, dus ook geen loon- en premienaheffing bij opdrachtgevers. Alleen ingeval van kwaadwillende opdrachtgevers, die schijnconstructies opzettelijk zijn aangegaan en waarbij evident buiten het wettelijk kader voor een overeenkomst van opdracht is getreden, blijft er risico op naheffing en boetes. Het gaat dan om fraude of zwendel, waardoor oneigenlijk voordeel wordt behaald, en situaties die leiden tot uitbuiting, ernstige concurrentievervalsing of maatschappelijke ontwrichting. Er hoeft geen gebruik meer te worden gemaakt van goedgekeurde modelovereenkomsten of goedgekeurde eigen overeenkomsten, er mag gewoon een eigen overeenkomst worden gebruikt.

De normale professionele dienstverlener of vakman en diens opdrachtgever hoeven met deze brief in dezen niet meer te vrezen en hiermee is in feite de situatie van de VAR in ere hersteld. Want de VAR in combinatie met de oude overeenkomsten en dezelfde feitelijke omstandigheden was indertijd tijd goed, dat kan dus nu niet als fraude of uitbuiting te kwalificeren zijn.

Zoals gezegd is in deze brief de hand van Staatssecretaris Wiebes zichtbaar, gezien zijn uitlatingen eerder op dit dossier. Een beetje laat, dat wel, de schade is er inmiddels en de vraag is of de payroll- en lagere tarieven-geest nog in de fles teruggaat. Niettemin beter laat dan nooit en als er nu nog problemen zijn, bijvoorbeeld te lage tarieven, ligt dat echt aan de opdrachtgever, die er een slaatje uit probeert te slaan.

Laat de les van dit alles wel zijn, dat voor een definitieve regeling meer aangesloten moet worden bij de oude VAR-regeling dan bij de eerdere DBA die met modelovereenkomstenwerkwijze die meer risico naar de opdrachtgever schuift. Werkgevers en opdrachtgevers de stuipen op het lijf jagen en met zalvende “samen verantwoordelijk” verhalen de opdrachtgever aansprakelijk stellen, is volstrekt contraproductief gebleken. Er kon ook onder de VAR gewoon bestrijding van misbruik plaatsvinden door de Belastingdienst, kennelijk is dat nu doorgedrongen. Dus je zou haast zeggen, “niets meer aan doen” geen nieuwe regeling dus, ook niet in 2018 en latere jaren.

Het standpunt om ZZP’ers tegen te werken en mensen weer in een vast dienstverband te dwingen, lijkt nu enigszins verlaten te worden. De politieke agenda, die onder meer allerhande verplichte cao- achtige regelingen voor ZZP’ers betekent, zou hetzelfde lot moeten ondergaan.

Want het veel gebruikte argument dat het “a-sociaal” is dat ZZP’ers geen pensioen opbouwen en niet voor arbeidsongeschiktheid zijn verzekerd en dat dat dus collectief moet worden afgedwongen, omdat “WE dat anders met z’n alluhhh…” betalen is onzin. Vakbonden hebben met ditzelfde argument in het verleden ook gepleit voor verplicht lidmaatschap van alle werknemers van een vakbond, want het zou a-sociaal zijn dat “niet georganiseerden” profiteerden van het werk van de bonden. Het bleek een slecht plan, de meeste werknemers trapten er niet in en wilden helemaal geen lid zijn. De argumenten voor verplichte collectieve pensioenen en verplichte collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zijn niet nieuw en een even slecht idee als het gedwongen collectieve vakbondslidmaatschap indertijd was.

De meeste Nederlanders, ook die met collectieve regelingen, bouwen in tegenstelling tot het geschetste beeld niet een ruim “ZwitserLeven-gevoel” pensioen op. Niemand zit meer 40 jaar bij één baas en niemand bouwt op final pay-basis 70% inclusief AOW op. Integendeel, op de AOW wordt sterk bezuinigd en pensioenuitkeringen vallen bitter tegen, al was het maar omdat de rente dankzij de banken met hun onverantwoordelijke gedrag in de jaren tot 2008 inmiddels zo goed als negatief is.

Sparen in een collectief fonds tegen vrijwel 0% rente en dan ook nog moeten betalen om te mogen “mee-sparen” is geen goed verhaal. Verplichte deelname aan een regeling die maar voor een klein aantal deelnemers voordelig is, is ook geen goed verhaal. Duur (geleend) geld aan (jonge) ondernemers en hun ondernemingen onttrekken in ruil voor het storten in fondsen, die een uiterst magere return on investment geven, is slecht voor ondernemend Nederland. Ondernemingsvermogen rendeert beter dan spaargeld, sparen op deze wijze is dus niks voor ondernemers, sparen binnen de onderneming, vermogensvorming dus en daarmee ondernemen is natuurlijk veel beter.

De gevolgen van arbeidsongeschiktheid kun je zelf regelen via broodfondsen, sparen en vermogensvorming of particulier verzekeren. Dat een collectieve regeling meestal uiteindelijk veel duurder is, blijkt uit de almaar stijgende ziektekosten. Verzekeringspremies en belastingdruk lopen, sedert de facto de oude ziekenfondsen aan de touwtjes trekken, uit de hand en er blijkt geen bereidheid om de kosten te beheersen als de burger eenvoudig gedwongen kan worden om meer premie te betalen. Er is geen reden om aan te nemen dat dit bij een collectief ZZP-fonds anders zou zijn.

Ruim baan dus voor ondernemers en ZZP'ers en mensen, die zelf hun lot in eigen hand willen nemen en houden. Hopelijk is de brief van de Belastingdienst een herstart met nieuw elan en een breuk met beleid van betutteling en tegenwerking. Wie weet gaat het nog goed komen met Eric Wiebes.

Laatste nieuws

Nieuws

  • Huwelijk en algehele gemeenschap van goederen verleden tijd?! Door Wijnkamp Keulers op 03-08-2017

    Vanaf 1 januari 2018 is een beperkte omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen tussen echtgenoten de standaard. Dit betekent dat het voor het huwelijk opgebouwde vermogen van de partners niet tot de gemeenschap zullen behoren en ook erfrechtelijke verkrijgingen en giften zullen buiten de gemeenschap blijven. Al hetgeen gedurende het huwelijk door de partners wordt opgebouwd, dan wel voor het huwelijk al tezamen is verkregen, behoort tot de gemeenschap. Ditzelfde geldt, in beginsel, ook voor schulden, die tijdens het huwelijk zijn aangegaan. De vraag is of het in de praktijk zo zal werken.

    Gevolgen nieuwe regeling
    Het vermogen dat u voor de trouwdag al heeft, blijft van u en valt niet in een gemeenschap van goederen. Bij een echtscheiding hoeft u van dat vermogen, voor zover dit nog steeds als privévermogen is te onderkennen, ook niets te delen. Dit geldt ook voor de schulden, die u bij het aangaan van het huwelijk heeft, deze blijven voor uw rekening en risico. De gemeenschap bestaat dan ook, in beginsel, alleen uit hetgeen gedurende het huwelijk wordt verkregen.

    Uitzonderingen
    Er zijn wel uitzonderingen op de wettelijke regeling van de beperkte gemeenschap, zo valt hetgeen gedurende voor of tijdens het huwelijk uit schenking of erfenis is verkregen, niet in de gemeenschap. Aangezien hetgeen krachtens schenking of erfenis verkregen niet in de gemeenschap valt, zou dat wellicht tot de conclusie kunnen leiden, dat het niet meer nodig is om bij de schenking en/of in het testament een uitsluitingsclausule op te nemen.

    Maar, er kan worden afgeweken van de wettelijke regeling bij huwelijkse voorwaarden en zo kan er alsnog een algehele gemeenschap van goederen worden gecreëerd. Zonder uitsluitingsclausule valt een verkrijging bij erfenis of schenking dan alsnog in de bij huwelijkse voorwaarden gevormde algehele gemeenschap van goederen. Dit is overigens ook aan de orde wanneer de erfenis of schenking is gebruikt voor de aanschaf van goederen of bijvoorbeeld een huis en er onvoldoende duidelijk is, wie wat betaald heeft en waarvan.

    Administratieplicht
    Om een goed zicht te houden op hetgeen voor het huwelijk is verkregen en privévermogen is, is het dus van belang dat een zorgvuldige administratieve vastlegging plaats vindt van de privévermogensbestanddelen. Wanneer er geen goede vastlegging is en de eigendomssituatie niet duidelijk is, kan bij bijvoorbeeld een echtscheiding, het standpunt worden ingenomen dat een bepaald vermogensbestanddeel gemeenschappelijk vermogen is, omdat niet kan worden aangetoond dat het een privébestanddeel is, zeker wanneer er vermenging met overig vermogen heeft plaats gevonden.

    Dit laatste zal waarschijnlijk de bottleneck worden van de nieuwe wetgeving. Ook nu wordt de jaarlijkse verrekening voortvloeiend uit huwelijkse voorwaarden nagenoeg niet nageleefd. Wij verwachten niet dat dit vanaf 1 januari 2018 anders zal worden, met als gevolg dat er feitelijk toch een algehele gemeenschap tussen echtgenoten te constateren is.

    Lees verder
  • BV met vastgoed, geen overdrachtsbelasting bij aandelenoverdracht aan kinderen. Door Wijnkamp Keulers op 25-07-2017

    Met het toenemen van het aantal ondernemers in de post-actieve periode komt steeds meer de vraag aan de orde of resterende BV’s met vastgoedportefeuilles (materiële) ondernemingen zijn of dat de activiteiten in feite niet meer inhouden dan beleggen, zoals dat normaliter in box 3 plaatsvindt. Als sprake is van een onderneming, dan zijn in beginsel bedrijfsvolgingsregelingen in de erf- en schenkbelasting van toepassing. Ook de overdrachtsbelasting speelt bij overdracht van aandelen in de familiesfeer een rol. In geval van een onderneming is de aandelenoverdracht aan familieleden in beginsel vrij van overdrachtsbelasting. Let dus goed op dat er een materiële onderneming is en zolang dat nog het geval is, neem uw maatregelen, maak voort met de opvolging, want de mogelijkheden zullen beperkt gaan worden.

    Dat komt omdat naar de zin van Financiën en de Belastingdienst te veel oneigenlijk gebruik aan de orde is, dat kost geld en is dus in hun ogen onwenselijk. Recent dus weer tegenslag voor de fiscus bij heffing van overdrachtsbelasting. De rechtbank Noord-Holland bevestigde dit in een uitspraak van 26 juni 2017, nr. 15/4224, ECLI:NL:RBNHO:2017:5723. Het gaat om de vrijstelling, die is opgenomen in artikel 15, lid 1, aanhef, onderdeel b Wet BRV, deze vrijstelling is van toepassing, indien een ondernemer zijn onderneming aan een of meer familieleden overdraagt en daarbij onroerende zaken overgaan, die behoren tot en dienstbaar zijn aan de overgedragen onderneming.

    De rechtbank oordeelde met inachtneming van de zogenaamde doorkijk-arresten van de Hoge Raad (zie HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU8559 en HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580). Het komt erop neer dat naar de overwegende rechtshandelingen, die zonder BV tussenkomst vrijstelling opleveren, moet worden gekeken. Het al of niet tussenkomen van een BV, zou voor het rechtsgevolg in dit kader dan uitmaken. Als de vastgoedportefeuille in een eenmanszaak/IB onderneming bij overdracht aan familieleden is vrijgesteld, dan heeft een transactie waarbij aandelen in een BV met dezelfde activiteit wordt overgedragen aan dezelfde familieleden hetzelfde rechtsgevolg, dus vrijstelling. De rechtbank kijkt dus als het ware door de bv-structuur heen. Uiteraard moet aan alle voorwaarden worden voldaan, dus ook dat de kinderen ruim drie jaar na de verkrijging de aandelen nog hebben en de BV de werkzaamheden volledig heeft voortgezet.

    Hoger beroep

    Dit is een belangrijke uitspraak en weer een tegenvaller voor de Belastingdienst en Financiën. Zij zien het toepassen van vrijstellingen ook in geval van post-ondernemingsactiviteiten met lede ogen aan. Hoger beroep is niet uit te sluiten en uiteraard is te verwachten dat aanscherping van de wetgeving, waarbij de grens tussen (vastgoed)beleggen en echt ondernemen nader wordt gedefinieerd, de oplossing voor de fiscus moet brengen. Voor diegenen, die plannen hebben voor bedrijfsopvolging en overdracht van vermogen aan kinderen, is enige haast geboden. Zo mooi als het nu is, blijft het niet.

    Lees verder

Agro nieuws

  • Huwelijk en algehele gemeenschap van goederen verleden tijd?! Door Wijnkamp Keulers op 03-08-2017

    Vanaf 1 januari 2018 is een beperkte omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen tussen echtgenoten de standaard. Dit betekent dat het voor het huwelijk opgebouwde vermogen van de partners niet tot de gemeenschap zullen behoren en ook erfrechtelijke verkrijgingen en giften zullen buiten de gemeenschap blijven. Al hetgeen gedurende het huwelijk door de partners wordt opgebouwd, dan wel voor het huwelijk al tezamen is verkregen, behoort tot de gemeenschap. Ditzelfde geldt, in beginsel, ook voor schulden, die tijdens het huwelijk zijn aangegaan. De vraag is of het in de praktijk zo zal werken.

    Gevolgen nieuwe regeling
    Het vermogen dat u voor de trouwdag al heeft, blijft van u en valt niet in een gemeenschap van goederen. Bij een echtscheiding hoeft u van dat vermogen, voor zover dit nog steeds als privévermogen is te onderkennen, ook niets te delen. Dit geldt ook voor de schulden, die u bij het aangaan van het huwelijk heeft, deze blijven voor uw rekening en risico. De gemeenschap bestaat dan ook, in beginsel, alleen uit hetgeen gedurende het huwelijk wordt verkregen.

    Uitzonderingen
    Er zijn wel uitzonderingen op de wettelijke regeling van de beperkte gemeenschap, zo valt hetgeen gedurende voor of tijdens het huwelijk uit schenking of erfenis is verkregen, niet in de gemeenschap. Aangezien hetgeen krachtens schenking of erfenis verkregen niet in de gemeenschap valt, zou dat wellicht tot de conclusie kunnen leiden, dat het niet meer nodig is om bij de schenking en/of in het testament een uitsluitingsclausule op te nemen.

    Maar, er kan worden afgeweken van de wettelijke regeling bij huwelijkse voorwaarden en zo kan er alsnog een algehele gemeenschap van goederen worden gecreëerd. Zonder uitsluitingsclausule valt een verkrijging bij erfenis of schenking dan alsnog in de bij huwelijkse voorwaarden gevormde algehele gemeenschap van goederen. Dit is overigens ook aan de orde wanneer de erfenis of schenking is gebruikt voor de aanschaf van goederen of bijvoorbeeld een huis en er onvoldoende duidelijk is, wie wat betaald heeft en waarvan.

    Administratieplicht
    Om een goed zicht te houden op hetgeen voor het huwelijk is verkregen en privévermogen is, is het dus van belang dat een zorgvuldige administratieve vastlegging plaats vindt van de privévermogensbestanddelen. Wanneer er geen goede vastlegging is en de eigendomssituatie niet duidelijk is, kan bij bijvoorbeeld een echtscheiding, het standpunt worden ingenomen dat een bepaald vermogensbestanddeel gemeenschappelijk vermogen is, omdat niet kan worden aangetoond dat het een privébestanddeel is, zeker wanneer er vermenging met overig vermogen heeft plaats gevonden.

    Dit laatste zal waarschijnlijk de bottleneck worden van de nieuwe wetgeving. Ook nu wordt de jaarlijkse verrekening voortvloeiend uit huwelijkse voorwaarden nagenoeg niet nageleefd. Wij verwachten niet dat dit vanaf 1 januari 2018 anders zal worden, met als gevolg dat er feitelijk toch een algehele gemeenschap te constateren is.

    Lees verder
  • BV met vastgoed, geen overdrachtsbelasting bij aandelenoverdracht aan kinderen. Door Wijnkamp Keulers op 25-07-2017

    Met het toenemen van het aantal ondernemers in de post-actieve periode komt steeds meer de vraag aan de orde of resterende BV’s met vastgoedportefeuilles (materiële) ondernemingen zijn of dat de activiteiten in feite niet meer inhouden dan beleggen, zoals dat normaliter in box 3 plaatsvindt. Als sprake is van een onderneming, dan zijn in beginsel bedrijfsvolgingsregelingen in de erf- en schenkbelasting van toepassing. Ook de overdrachtsbelasting speelt bij overdracht van aandelen in de familiesfeer een rol. In geval van een onderneming is de aandelenoverdracht aan familieleden in beginsel vrij van overdrachtsbelasting. Let dus goed op dat er een materiële onderneming is en zolang dat nog het geval is, neem uw maatregelen, maak voort met de opvolging, want de mogelijkheden zullen beperkt gaan worden.

    Dat komt omdat naar de zin van Financiën en de Belastingdienst te veel oneigenlijk gebruik aan de orde is, dat kost geld en is dus in hun ogen onwenselijk. Recent dus weer tegenslag voor de fiscus bij heffing van overdrachtsbelasting. De rechtbank Noord-Holland bevestigde dit in een uitspraak van 26 juni 2017, nr. 15/4224, ECLI:NL:RBNHO:2017:5723. Het gaat om de vrijstelling, die is opgenomen in artikel 15, lid 1, aanhef, onderdeel b Wet BRV, deze vrijstelling is van toepassing, indien een ondernemer zijn onderneming aan een of meer familieleden overdraagt en daarbij onroerende zaken overgaan, die behoren tot en dienstbaar zijn aan de overgedragen onderneming.

    De rechtbank oordeelde met inachtneming van de zogenaamde doorkijk-arresten van de Hoge Raad (zie HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU8559 en HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580). Het komt erop neer dat naar de overwegende rechtshandelingen, die zonder BV tussenkomst vrijstelling opleveren, moet worden gekeken. Het al of niet tussenkomen van een BV, zou voor het rechtsgevolg in dit kader dan uitmaken. Als de vastgoedportefeuille in een eenmanszaak/IB onderneming bij overdracht aan familieleden is vrijgesteld, dan heeft een transactie waarbij aandelen in een BV met dezelfde activiteit wordt overgedragen aan dezelfde familieleden hetzelfde rechtsgevolg, dus vrijstelling. De rechtbank kijkt dus als het ware door de bv-structuur heen. Uiteraard moet aan alle voorwaarden worden voldaan, dus ook dat de kinderen ruim drie jaar na de verkrijging de aandelen nog hebben en de BV de werkzaamheden volledig heeft voortgezet.

    Hoger beroep

    Dit is een belangrijke uitspraak en weer een tegenvaller voor de Belastingdienst en Financiën. Zij zien het toepassen van vrijstellingen ook in geval van post-ondernemingsactiviteiten met lede ogen aan. Hoger beroep is niet uit te sluiten en uiteraard is te verwachten dat aanscherping van de wetgeving, waarbij de grens tussen (vastgoed)beleggen en echt ondernemen nader wordt gedefinieerd, de oplossing voor de fiscus moet brengen. Voor diegenen, die plannen hebben voor bedrijfsopvolging en overdracht van vermogen aan kinderen, is enige haast geboden. Zo mooi als het nu is, blijft het niet.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook