Header achtergrond
Header achtergrond

Agro nieuws

  • Beleggingen binnen een BV met onderneming, vallen niet onder bedrijfsopvolgingsfaciliteit, … of toch wel? Door Wijnkamp Keulers op 21-04-2017

    De rechtbank Den Haag heeft voor de verkrijging door erfgenamen van aandelen in een Beheer BV, die een stoomschip heeft opgebouwd en exploiteert, beslist dat het stoomschip geen ondernemingsactiviteit betrof. Dit ondanks het feit dat beheer BV 100% aandeelhouder was van een dochter BV, die zich bezighield met onderhoud en verhuur van stoomketels, wat wel als ondernemingsactiviteit werd aangemerkt. Het lijkt er echter op dat de rechtbank ook ruimte geeft voor een iets slimmere manier van exploiteren, althans dat met betere onderbouwing van standpunten, er wel sprake zou kunnen zijn van ondernemingsactiviteit en dus toepassing van de BOR. Plannen en goed procederen is dus noodzaak en geen overbodige luxe.

    DGA overleden
    De betreffende DGA had kennelijk 100% van de aandelen in een Holding BV, die naast het houden van aandelen in een dochtervennootschap, die handel en onderhoud in stoomketels verrichtte, een stoomschip gedurende 10 jaar had opgeknapt en er flink in had geïnvesteerd (ca 8 mio in een periode van 10 jaar). Het schip was uiteindelijk nog niet helemaal af, maar werd al wel tegen enige betaling als museumschip en uithangbord voor het bedrijf van de dochter BV ingezet. Het stoomschip en de daarvoor bestemde liquide middelen bedroegen op de overlijdensdatum 85% van het vermogen van de beheermaatschappij. De aandelen werden geërfd door de echtgenoot, die deed een beroep op de BOR, de waarde van de aandelen was ca € 2,1 mio.
    Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de aanwezige liquide middelen ter afbouw van het schip en het schip zelve als belegging aangemerkt en deze niet onder de BOR laten vallen. De vraag speelt of een in eigen beheer opgebouwd stoomschip ondernemingsvermogen vormt en derhalve recht bestaat op toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit bij de verkrijging van de aandelen.

    Rechtbank Den Haag
    Rechtbank Den Haag overweegt dat beoordeeld moet worden of op de overlijdensdatum de exploitatie van het schip deel uitmaakte van de materiële onderneming van de dochtervennootschap of op zichzelf als het drijven van een materiële onderneming kan worden aangemerkt binnen Beheer BV. In Beheer BV is geen sprake van een ondernemingsexploitatie volgens de rechtbank. De bouw van het schip met de hiervoor bedoelde loods en het verkrijgen van vergunningen heeft ongeveer tien jaar geduurd en kostte circa € 8 mio. Het schip is vooral gebruikt als museumschip voor recreatieve vaart. Dit gebruik kan bedrijfsmatig zijn, maar gezien de hiermee behaalde opbrengsten is geen sprake van een kostendekkende exploitatie, ook in de toekomst zal er dik geld bij moeten naar verwachting. De rechtbank vond dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat met de exploitatie winst werd beoogd of redelijkerwijs kon worden verwacht. De rechtbank oordeelt daarom dat het stoomschip niet op zichzelf als een bedrijfsmatige activiteit kan worden aangemerkt binnen Beheer BV.

    Ook toerekening aan de onderneming van de dochter was niet aan de orde. De dochter houdt zich bezig met weliswaar de handel in - en verhuur van- stoomketels, maar hoe het stoomschip hierin past, is niet duidelijk gemaakt door de belanghebbende echtgenoot. Dat de ketel van het schip wordt gebruikt voor het testen en ontwikkelen van nieuwe brandstoffen, het schip wordt ingezet bij het reinigen van schepen en bij het repareren van defecte stoomketels en als zodanig een verlengstuk van de onderneming vormt, is door belanghebbende niet voldoende gesteld en aannemelijk gemaakt. Ook is onvoldoende onderbouwd dat als dit al tot bruikbare resultaten in de toekomst kan leiden, deze activiteiten voldoende opbrengsten genereren en onderdeel uitmaken van de bestaande onderneming. Omdat het schip niet tot het ondernemingsvermogen van beheer behoort, valt de waarde daarvan en de voor de afbouw beschikbare liquide middelen niet onder de BOR.

    Welke voorzet geeft de rechtbank
    Belanghebbende had aannemelijk moeten maken dat het stoomschip op zichzelf als een bedrijfsmatige activiteit kan worden aangemerkt, dan wel wordt gebruikt als verlengstuk van de onderneming van de dochter. Het gaat er dus om, om de functie van het stoomschip voor de handel van de dochtermaatschappij duidelijker te maken en/of de exploitatie van het schip zelve bedrijfsmatiger op te zetten.

    Gedacht kan worden aan het gebruik als schip primair bestemd voor opleiding en cursussen, als examenschip, als schip gebruikt voor het reinigen van schepen, het repareren van defecte stoomketels, als sleepboot, als onderzoeksschip, partyschip etc. Al die activiteiten bij elkaar, en in combinatie met de dochter BV (samenwerkingsovereenkomst, de dochter betaalt mee ...) moeten enige uitzicht op winst geven.

    Geldt voor alle beheermaatschappijen
    Er lijkt met betere planning, betere regelingen tussen dochter BV en Beheer BV en ietsje slimmer procederen een beter resultaat haalbaar te zijn geweest. In hoger beroep de zaak wat beter presenteren moet dus sowieso in dit soort gevallen, maar daarnaast helpt de zaken vooraf beter inkleuren natuurlijk veel meer. Als je alles tijdens de beroepsprocedure nog moet verzinnen, ben je als cliënt en adviseur gewoon te laat. De les is er voor alle DGA’s met beheermaatschappijen met panden en andere vermogensbestanddelen (belegde pensioenreserves), die ook in box 3 door particulieren worden belegd. Zorg voor voldoende activiteit en maak dat aannemelijk. Kortom pleeg onderhoud aan je BV. Eigenwijs gepruts in de marge en bezuinigen op je adviseurs kost geld en dat is in veel gevallen te vermijden.

    Rechtbank Den Haag van 9 maart 2017 (nr. 16/1684, ECLI:NL:RBDHA:2017:3400)

    Lees verder
  • Actualiteiten land- en tuinbouw Door Wijnkamp Keulers op 17-01-2017

    Inhuur ZZP'ers blijft riskant
    Met het afschaffen van de VAR loopt de opdrachtgever meer risico bij inhuur van zelfstandigen. De opschorting van de Wet DBA biedt niet veel zekerheid, de VAR is daarmee niet terug. Het gebruik van modelovereenkomsten van de Belastingdienst, die LTO heeft laten goedkeuren, en goed opletten dat er niet toch een arbeidsovereenkomst wordt geconstateerd, is de enige bruikbare weg.

    Verkoop land onder voorbehoud van (reguliere) pacht fiscaal aantrekkelijk
    Verkoop van eigendomsgrond onder voorbehoud van pacht kan het fiscaal ondernemingsvermogen aanzienlijk verminderen. Als er geen opvolgers zijn, kan op deze wijze toch een aanzienlijk fiscaal voordeel worden behaald, het gemis van de BOR kan in combinatie met gefaseerd schenken tot zeer aanzienlijke besparingen in de IB en erfbelasting leiden. Zelf regie houden en niet afhankelijk zijn van de kinderen, is voor veel ouders essentieel. Ook een onverwachte echtscheiding bij een van de kinderen mag geen probleem worden. Let op met familiestichtingen en fictief legaat, ga niet alleen bij de notaris of de accountant te rade, want de fiscale- en juridische uitwerkingen zijn niet voor iedereen doenlijk.

    Bedrijfsopvolging
    De BOR (bedrijfsopvolgingsregeling) heeft zijn langste tijd wel gehad en in combinatie met een mogelijke verhoging van het tarief in de erfbelasting dreigt een aanzienlijke verslechtering. Alle reden om nu actie te ondernemen. Ook voor ondernemers, die geen opvolgers hebben, geldt dit. Bij landbouwers en andere ondernemers met fors eigen vermogen is er bijzondere aandacht voor de schulden in de onderneming, worden die mee overgenomen dan is er een hogere grondslag voor de BOR op grond van een wettelijke bepaling, dit in tegenstelling tot leningen die zelf worden aangegaan, die vallen daar niet onder (HR 12 juli 2013).

    Geen landbouwregeling btw meer per 1 januari 2018
    De landbouwregeling in de btw gaat verdwijnen. Per 1 januari 2018 gaan alle landbouwers de btw in.

    Pachter betaalt geen pacht
    Als een pachtovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd en ook niet is goedgekeurd door de Grondkamer, kan de niet betaalde, maar wel verschuldigde pacht, niet in rechte worden ingevorderd door de verpachter. Een verpachter zal eerst moeten zorgdragen voor schriftelijke vastlegging en goedkeuring van de pachtovereenkomst, voordat hij de pacht kan incasseren via de pachtrechter. De verjaringstermijn ter zake van het invorderen van de achterstallige pacht begint iedere keer op het afgesproken moment van betaling. Voor de verjaringstermijn is het niet van belang of de Grondkamer de pachtprijs bij goedkeuring eventueel naar boven of beneden vaststelt. Ook het tijdstip van goedkeuring van de pachtovereenkomst is niet van belang voor de aanvang van de verjaringstermijn, heeft het Hof Arnhem onlangs bepaald. 

    Dwing inspecteur tot een beslissing
    Soms duurt het wel erg lang voordat een inspecteur beslist op een ingediend bezwaarschrift. As een inspecteur er te lang over doet, dan is er een mogelijkheid om wat extra druk te zetten.
    Onlangs heeft het Hof Den Haag beslist dat de Belastingdienst € 1.260 aan dwangsom moest betalen, € 166 aan griffierecht en € 1.488 aan kostenvergoeding moest betalen aan een belanghebbende, die klaagde over het maar uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift. De inspecteur was in beroep gegaan tegen een eerdere beslissing van Rechtbank, die hem ook al ongelijk had gegeven.
    Als een inspecteur maar blijft talmen met het doen van uitspraak, is er een mogelijkheid om de Belastingdienst in gebreke te stellen. De inspecteur moet daarna dan binnen zes weken beslissen, doet hij dat niet, dan gaat een dwangsom lopen, die kan oplopen tot maximaal € 1.260. Ook is bij het verder voortduren van de weigering het mogelijk om rechtstreeks naar de rechter te gaan.

    Herwaardeer uw landbouwgrond
    Inmiddels is duidelijk dat herwaardering van landbouwgrond relatief eenvoudig kan plaatsvinden door inbreng in een maatschap of Vof, winstverdeling wijzigen of verkoop aan een BV i.o. te laten plaatsvinden. De laatste methode is ook een nog steeds probaat middel tegen onteigening voor een te lage prijs of tegen een dreigend gemeentelijk voorkeursrecht. Onteigeningen en vestiging van een voorkeursrecht zijn weer opportuun met het aantrekken van de woningmarkt. Let wel op toepassing van de BOR (bedrijfsopvolgingsregeling). Met een slechte regie kan een deel van de grond buiten de regeling gaan vallen.

    Bouwvergunning onherroepelijk, soms biedt het eigendomsrecht soelaas
    Inbreuk op eigendomsrechten van een derde is ook met een geldige bouwvergunning niet toegestaan. Een eigenaar van een vrijstaande woning zag tot zijn schrik dat een gemeente een vergunning had verleend voor een aanbouw, die geschakeld zou worden aan zijn woning en deels op zijn grond zou worden gebouwd. De gemeente had de publicatie plaats laten vinden zonder de omwonenden persoonlijk in te lichten, de bezwaartermijn was verlopen. Door de buurman te dreigen met juridische actie als op zijn eigendom inbreuk gemaakt zou worden kon de (aan)bouw worden voorkomen. Bij landbouwers zijn recht van uitpad en erfdienstbaarheden nogal eens spelbreker voor buren met bouwplannen. Check dus ook altijd de zakelijke rechten.

    Wie trekt de btw bij nieuwbouw af
    Bouwt u een nieuwe woning of stal en wilt u de btw aftrekken, kijk dan goed wie de eigenaar is van de onroerende zaak, wie opdrachtgever is en ten name van wie de facturen staan. Bij maatschappen en Vof's kan het fout gaan, ook bij echtelieden die niet in algehele gemeenschap zijn getrouwd kunnen problemen ontstaan. Let voor de IB op regelingen inzake ongebruikelijke ter beschikking stellingen en niet aftrek van rente. Privévermogen? Let dan op box 3 en toepassing BOR.

    Lees verder
  • Verkoop landbouwgronden met voorbehoud van pacht, toepassing HIR, Hoge Raad verwijst voor nadere motivering Door Wijnkamp Keulers op 23-12-2016

    De zaak, die bij ons in behandeling is, gaat over de verkoop van ca 18 ha landbouwgrond onder voorbehoud van een pachtrecht. De grond werd voor de waarde in verpachte staat aan kinderen verkocht, de verkopende ondernemer behield zich het pachtrecht op basis van reguliere pacht voor. De grond bleek in vrije staat niet
    € 750.000 waard, maar ruim € 1.800.000. De inspecteur paste de verkoopwinst aan, constateerde bestemmingswijzigingswinst van ruim € 1.050.000 en wilde die belasten. De verkoper, die een pachtrecht ter waarde van € 362.500 had, wilde voor het verschil van € 750.000 en € 1.800.000 een HIR vormen. Hij had het jaar voor de verkoop en de jaren daarna ruim 115 ha landbouwgrond teruggekocht.

    De inspecteur en later de Staatssecretaris nam het standpunt in, dat omdat verpachte grond was verkocht, verpachte grond zou moeten worden teruggekocht en 115 ha eigendom een uitbreidingsinvestering was. Dus HIR niet van toepassing. Hof Den Haag had er geen moeite mee, HIR gewoon van toepassing, maar de Hoge Raad ging zover niet zonder meer. Er had onderzocht moeten worden wat de functie van het verkochte bedrijfsmiddel was en of op balansdatum het voornemen aanwezig was om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel met dezelfde functie.

    De zaak wordt nu na verwijzing behandeld door Hof Amsterdam. De vraag, die aan de orde is, is wat de functie is van het vervreemde bedrijfsmiddel. Wij menen dat het bedrijfsmiddel dat is vervreemd “warmliggende landbouwgrond” is. Ex BNB 1990/90 is verkoop van grond onder voorbehoud van pacht, de verkoop van eigendom en terugkoop van pachtrechten. Artikel 3.30 wet IB 2001 en HR BNB 1990/90 brengt mee dat op de opoffering voor het pachtrecht (€ 362.500) kan worden afgeschreven, op eigendom kan dat niet. Hiermee is duidelijk dat geen verpachte grond is verkocht, maar zoals de Hoge Raad heeft uitgesproken, verkoop onder voorbehoud van een pachtrecht.

    Daarna moet uiteraard worden gekeken naar de functie van het bedrijfsmiddel. Wij menen dat die functie in economische zin moet worden bekeken, te weten opbrengstpotentie. Niet de technisch fysieke eigenschappen zijn van belang, maar de economische eigenschappen. Het gaat dus niet om de 18 ha, het gaat om een opbrengstpotentieel van € 1.800.000 en de opbrengst door teelt van landbouwproducten. Grond met een opbrengstpotentieel van € 1.800.000 is dus de economische functie, dat kan dus ook een groter perceel landbouwgrond zijn dat minder warm ligt. Uitbreiding of niet, gaat dus niet over de technisch fysieke aspecten, maar over de functie in economische zin. Bij ca € 7/m² WEVAB en € 1.050.000 HIR zou er een voornemen moeten zijn op balansdatum om ca 26 ha terug te kopen. Inmiddels is na de Staatssecretaris de inspecteur weer aan zet, die blijkt evenals de Staatssecretaris en sommige scribenten nog op “verpachte grond” als benchmark te zitten. De zaak is nu in het stadium dat er een conclusie na verwijzing door partijen is genomen. Het Hof Amsterdam is nu aan zet. Wij houden u op de hoogte.


    HR 16-9-2016 ECLI:NL:HR:2016:2092

    Lees verder
  • Wet DBA opgeschort, feitelijk van tafel … wat nu ZZP'ers? Door Wijnkamp Keulers op 21-11-2016

    Met het opschorten van de controle door de Belastingdienst, zoals vrijdag jl. toegezegd door Staatssecretaris Wiebes, lijkt de Wet DBA feitelijk van tafel. Niettemin is de VAR niet terug, dus de vraag rijst wat nu de aangewezen weg is om het risico op (na)heffen van loonbelasting en premies bij de opdrachtgever te minimaliseren. Ondanks het ontbreken van de VAR kunnen we terugkeren naar de situatie toen de VAR er nog wel was, alleen nu met gebruikmaken van de modelovereenkomsten. Dit omdat de wetgeving zelve, die inhouding en afdracht van loonheffingen regelt, niet is gewijzigd, dus ook niet de termijn van 5 jaar waarbinnen de Belastingdienst kan controleren en naheffen. Wat wel beter is, is dat er geen boetes zullen kunnen worden opgelegd. Gebruik de modelovereenkomsten in uw voordeel, waarmee de opdrachtgever in feite net zoveel zekerheid heeft als voorheen met de VAR.

    De VAR gaf bij oneigenlijk gebruik in feite ook geen zekerheid, dat leek alleen maar zo, omdat er door de Belastingdienst niet of nauwelijks werd gecontroleerd. Ook bij de VAR was er een risico, over een periode van 5 jaar na dato, op alsnog opleggen van loonheffingen en met boetes. Behoudens in gevallen waarin het de spuigaten uitliep, werden er echter geen naheffingen en boetes opgelegd. Nu met het opschorten van de beoordelingen tot januari 2018 keert die situatie terug. Het blijft zaak voor een opdrachtgever om elk geval zelf goed te beoordelen, maar dat was onder de VAR niet anders. Inmiddels is er echter wel veel meer duidelijkheid, in welke gevallen er geen dienstbetrekking is en loonheffing zal worden (na)geheven. Als gebruik wordt gemaakt van de modelovereenkomsten en een beroep wordt gedaan op de inmiddels bekend gemaakte interpretaties van de Staatssecretaris, dan is het risico op een andere beoordeling door de Belastingdienst vrij klein, eigenlijk nog kleiner dan onder de VAR.

    Meer zekerheid voor langduriger relaties kan eventueel nog worden verkregen door aangifte LH te doen als ware er een dienstbetrekking en vervolgens door de opdrachtnemer bezwaar te laten maken tegen de (eigen) aangifte. De inspecteur moet dan in beginsel in 6 weken uitspraak doen en daarmee is er een standpunt verkregen, opdrachtgever en opdrachtnemer weten dan waar zij aan toe zijn.

    Het is nu vooral aan de opdrachtgevers en ZZP'ers om terug te keren naar de situatie van voor de VAR. Het kan weer, maar het combineren van behoorlijke contracten en invulling conform de modelovereenkomsten is wel aan te raden om de risico’s te minimaliseren. Door het drama rondom het afschaffen van de VAR is wel één ding duidelijk geworden. Het is dringend noodzakelijk het arbeidsrecht te hervormen inclusief het mislukte nieuwe ontslagrecht en de regelingen rondom collectieve pensioenen. Misschien toch maar eens kijken naar de oude lijfrenteaftrek, vast minder vast maken en het ondernemerschap niet als aftreksel van het arbeidsrecht behandelen.

    Lees verder
  • Wiebes steeds meer in het nauw bij ZZP-problematiek Door Wijnkamp Keulers op 16-11-2016

    Staatssecretaris Wiebes blijkt inmiddels de forse problemen voor ZZP'ers en ondernemers na de invoering van de Wet DBA niet langer meer te kunnen bagatelliseren. Hij heeft het nu over “onbedoelde neveneffecten” waar hij op korte termijn “aandacht” aan zal besteden. Het wordt november in plaats van december en hij komt met een brief. De ZZP'ers, die hun inkomen met 25% - 50% hebben zien dalen, moeten het hiermee doen.

    Wet DBA onmogelijk

    Wij hebben het al vanaf het begin gezegd, de Wet DBA maakt het voor opdrachtgevers vrijwel onmogelijk om ZZP'ers in te huren, de risico's op naheffingen met boetes zijn veel te groot en belopen een termijn van 5 jaar na dato. Geen weldenkende ondernemer is zo gek om hier in te stappen. Wij zeggen het nog maar eens, de VAR terug en misbruik onder de oude wetgeving bestrijden, is de enige bruikbare oplossing. Dat betekent vrijwaring van aansprakelijkheid voor goedwillende opdrachtgevers, die zich aan de regels houden, en naheffingen en boetes voor diegenen, die misbruik plegen. Dat kon onder de oude wetgeving en dat kan niet onder de nieuwe DBA-wetgeving. De DBA-wetgeving moet dus van tafel.

    Pappen en nathouden

    CDA Tweede Kamer-lid Pieter Omtzigt heeft terecht aangegeven, dat de DBA-wetgeving (overigens in combinatie met de voor werkgevers mislukte herziening van het ontslagrecht) er niet toe leidt, dat er werknemers in vaste dienst worden genomen. In tegendeel, pay-roll en uitzendwerk is sterk toegenomen, wat ook een verklaring is voor de betere macrocijfers over afnemende werkeloosheid en meer banen. Dat de pay-rollers en uitzendkrachten hun verdiensten met 25% - 50% zien verminderen, blijkt niet uit de CBS-cijfers. Goede ZZP-contracten worden nu door opdrachtgevers geweigerd en de ZZP'ers kunnen als uitzendkracht aan de slag, maar wel voor driekwart of de helft. De arbeidsmarkt zit zo vast als een huis, met dank aan de voorstanders van de afschaffing van de VAR en de herziening van het ontslagrecht.

    Het gaat niet beter worden

    De Staatsecretaris is op reis langs een kansloze route. Zolang het uitgangspunt is dat ZZP'ers “deplorables” zijn, die eigenlijk liever in vaste arbeidscontracten werkzaam zijn en dus het arbeidsrecht bepaalt wat en wie ondernemers zijn, is er geen oplossing mogelijk. Een positieve definitie van ZZP-ondernemerschap is noodzakelijk en een verklaring (VAR), die de status van een ZZP'er eenduidig aangeeft, eveneens. Zo zou voor uurtarieven vanaf € 25 excl. BTW er een positieve keuze voor ondernemerschap moeten kunnen zijn en zo ook voor een opdracht met een beloop van meer dan € 7.500 bij een looptijd van bijvoorbeeld een maand. Sluit voor de definities aan bij de Wet OB, voor de BTW weten we immers al lang wie ondernemer is en wie niet. BTW-nummer betekent ondernemerschap, misbruik en valse voorstelling van zaken is ook in de BTW-wetgeving al lang met sancties omgeven.

    Politieke wil

    Het is dus niet moeilijk oplosbaar, er is maar één vereiste. Ophouden met mijmeren naar de jaren vijftig van de twintigste eeuw en ophouden met streven naar herstel van de collectieve regelingen via geregelde vaste contracten. Het gaat niet gebeuren, ook niet met tegenwerken van ZZP'ers. Dat levert alleen maar verlies van inkomen op bij ZZP'ers en belemmert ondernemerschap en innovatie. Als je vindt dat dat ook niet hoeft, kun je doorgaan op de Wet DBA-weg. Als innovatie en ondernemerschap noodzakelijk is, moet de politieke wil ook concreet gemaakt worden… weg met de Wet DBA dus.

    Lees verder
  • Hypotheekrenteaftrek eigen woning, Rechtbank Gelderland meet met ruime maatstaf Door Wijnkamp Keulers op 16-11-2016

    Voor een in aanbouw zijnde villa op een landgoed heeft de rechter vastgesteld dat 95% van de lening als dienstbaar aan de (eigen) woning moest worden toegerekend, waarmee 95% van de rente en kosten aftrekbaar bleek. De fiscus ging uit van aanzienlijk minder, het scheelde ruim € 70.000 aftrekbare kosten in box 1. De rechter volgde de visie van de belanghebbende, dat de woning het belangrijkste object was en de mee aangekochte gronden daaraan ondergeschikt waren. De rechter volgde dat. Deze uitspraak is niet alleen van belang voor eigenaren van landgoederen, die als zodanig fiscaal zijn gekwalificeerd, maar ook voor ondernemers met een BTW-bedrijfswoning, die als eigen woning in de IB is gekwalificeerd. Ook daar komen geschillen ter zake van de renteaftrek voor, als er bij de woning stukken grond zitten die niet in de onderneming worden gebruikt. Box 1 eigen woning is meestal voordeliger dan box 3. En vergeet de DGA niet, geen TBS, maar box 1.

    Hoge Raad heeft al eerder de kaders geschapen

    De rechtbank geeft in een heldere motivering exact de kaders aan, die voor de beoordeling van aanhorige gronden en gebouwen gelden. Het gaat om artikel 3:11 Wet IB 2001. Voor de uitleg van de vraag of een perceel als aanhorigheid van de eigen woning heeft te gelden, is het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 1993 (BNB 1993/281) van belang. Uit dit arrest volgt dat er sprake is van een aanhorigheid, indien een perceel behoort bij de eigen woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is.

    Feitelijke beoordeling telt

    De rechtbank moest daarna een beoordeling geven wat nu precies dienstbaar is en wat niet, dat was bij het betreffende landgoed met ruim 9,5 ha grond te weten, een perceel grasland (8.060 m²), vijf percelen water (3.510 m²), een perceel grasland, kade en hakhout (32.274 m²), een sloot (185 m²), drie percelen weiland (16.390 m²), een perceel bouwland (650 m²), vier percelen hooiland (32.290 m²) en een perceel kade (1.650 m²), niet zonder meer uit de Hoge Raad-criteria af te leiden.

    Ruim zien

    De rechtbank koos terecht voor een praktische benadering, die aansluit bij de beleving, die de meeste eigenaren/kopers zullen hebben. Niet het landgoed staat voorop en het huis is ondergeschikt, maar het is andersom, het gaat om de woning, die is het belangrijkste. Omdat het hier één niet uitgesplitste koopsom betrof, kon de prijs voor de woning in het economisch verkeer en met een woonbestemming leidend zijn, waardoor 95% van de koopprijs van de grond en stichtingskosten van de woning aan de hypotheeklening kon worden toegerekend, dus 95 % van de rente en kosten aftrekbaar.

    Commentaar

    Toen het aankwam op het bepalen van bestemmingswijzigingswinst bij de ondergrond van bedrijfswoningen in de land- en tuinbouw is in feite dezelfde maatstaf gehanteerd. De waarde in het economisch verkeer werd in feite vastgesteld naar de woonbestemming, veel meer dan de bedrijfsmatige aanwending. In die zin bezien, is deze uitspraak in lijn en naar ons oordeel in overeenstemming met letter en geest van de wet IB, een terechte uitspraak dus.

    Lees verder
  • Belastingherziening, wat kunnen we verwachten Door Wijnkamp Keulers op 17-10-2016

    De politieke partijen zijn op dit moment druk bezig met het vaststellen van hun verkiezingsprogramma’s. Dat er een herziening van het belastingstelsel gaat komen, lijkt wel zeker, die had er al moeten zijn, zij het dat de regeringspartijen VVD en PvdA het niet aandurfden om hun grote verschillen van inzicht uit te onderhandelen. De min of meer mee regerende oppositie lijkt ook wel voor een belastingherziening te zijn, tijd om eens op een rij te zetten welke kant het op zou kunnen gaan.

    Faciliteiten voor ondernemers, minder … minder

    Het lijkt erop dat de belastingdruk bij ondernemers in het MKB zal toenemen de komende jaren. Dit omdat de meeste partijen inzetten op “voordeel voor iedereen” en “gelijke behandeling “ voor ondernemers, ambtenaren en werknemers. Verlaging van lasten op arbeid is wat vrijwel alle partijen willen, dit om de werkgelegenheid te stimuleren. Ook mensen met lage inkomens moeten het beter krijgen, zo willen vooral SP, PvdA en GroenLinks, dus uitkeringen en toeslagen omhoog. De SP wil dat ook voor ondernemers met lage inkomens. Maar dat moet allemaal wel betaald worden. Omdat bezuinigen niet echt blijkt te lukken, is sterkere schouders zwaarder belasten, dus onvermijdelijk. Ook het wegnemen van wat “oneigenlijk” voordeel voor ondernemers wordt genoemd, is een optie. Het laten oplopen van het begrotingstekort of de staatsschuld wordt niet overwogen.

    Gevolgen

    Omdat er voordeel voor velen moet komen, zal er flink bezuinigd moeten worden bij een veel kleinere groep van ondernemers en vermogenden. Ondernemers en ZZP'ers raken naar verwachting (een deel van) hun faciliteiten kwijt, dus wel lagere tarieven voor de IB, maar geen ondernemersaftrek, startersaftrek meer, de toekomst van de FOR en MKB winstvrijstelling staat minder ter discussie. Ook de bedrijfsopvolgingsregeling BOR lijkt wel te blijven voortbestaan, maar in welke vorm is niet te voorspellen. Niet uit te sluiten is, dat zal worden gekeken naar beperking tot situaties, waarbij het echt nodig is dat uitstel of afstel van successierecht plaatsvindt.

    BV eigenaren

    De BV eigenaren, de zogenaamde directeur grootaandeelhouder (DGA) zullen naar verwachting ook flink in de buidel geraakt gaan worden. Het in BV’s opgepotte vermogen zal mogelijk belast gaan worden, door nog meer uit te gaan van fictief loon in combinatie met hogere fictieve rentes en fictief dividend. In feite zal circa 80% van de winst in een BV mogelijk worden wegbelast, waarbij dan de resterende 20% een lager vennootschapsbelastingtarief heeft, maar daarna zal door de IB heffing op rente en dividend dat voordeel ook weer worden belast. Het gaat dus allemaal lijken op de heffing bij een werknemer of ambtenaar, inclusief box 3-heffing op vermogen.

    Box 3

    Er zal vermoedelijk een verlaging voor velen volgen en meer belasting voor vermogenden. Nu wordt er 1,2% geheven op vermogen, te weten het saldo van bezittingen en schulden. Mogelijk dat voor vermogens boven de 1 miljoen 1,65% de norm zal worden. Bij particuliere verpachters met grond, die ca € 30.000 per hectare waard is in verpachte staat, is dus bij iets meer dan 33 ha de hoge norm al in zicht, dat zou € 495/ha zijn. Of de norm van 50% bij reguliere verpachting overeind blijft, is niet te voorspellen.

    Wat nu?

    De ondernemingsfaciliteiten zoveel mogelijk benutten nu het nog kan, is het eerste. Kijk of met maatschappen in de familiesfeer (met studerende kinderen bijvoorbeeld) nog voordeel te behalen is. Zet de bedrijfsopvolging in, de BOR geldt nu nog met een relatief ruim toepassingsgebied en de 3 jaar, die nodig is om behoorlijk door te schuiven en tegen lagere waarde over te dragen is een hele tijd, dus nu starten met die kinderen.
    Herwaardeer die landbouwgronden, de laatste stuiptrekkingen om toch een overgangsregeling bij de Hoge Raad erkend te krijgen, zijn laatst mislukt gebleken, maar wel is duidelijk dat een maatschap goede diensten kan bewijzen bij herwaardering. Een stichting om zeggenschap te regelen is ook een alternatief, niet omdat daarmee het vermogen niet belast kan worden, maar puur om de opvolger de zeggenschap te kunnen toedelen. Want als die bestuurder is in de stichting, bepaalt hij wat er gebeurt. Verkopen kan hij echter niet. Een stichting in combinatie met een BV, al dan niet met verpachting, kan ook goede diensten bewijzen. Reguliere pacht is sowieso uiterst bruikbaar, want nog steeds is bij reguliere pacht een afwaardering van de grond tot 50% mogelijk en, minstens zo belangrijk, het recht op gebruik is goed geregeld. Ook de verkoop van grond met toepassing van de landbouwvrijstelling onder voorbehoud van pachtrechten met mogelijkheid tot afschrijven op de pachtrechten kan bruikbaar fiscaal voordeel opleveren.

    Pachters

    Ook pachters kunnen maatregelen nemen, tijdig de opvolger in de maatschap en regelen met de rentmeester dat de pacht overgaat. Wees voorzichtig met onderverpachting. Regelen in samenspraak met de rentmeester heeft de voorkeur. Maar als het niet anders kan, moet gebruik worden gemaakt van de wettelijk mogelijkheden. Ook de overdacht van de eigendomsgronden, ondergrond, erf, tuin en gebouwen regelen. Via een maatschap kan dat op termijn, we noemen dat een regeling “nu voor alsdan”. Een ondermaatschap met de echtgenote is natuurlijk ook mogelijk, daardoor is er ook meer fiscaal voordeel mogelijk.

    Tot slot

    Uiteraard moeten de maatregelen wel passen. Bij kleine bedrijven en ondernemers in hun nadagen is iets anders nodig, dan bij grote (deels) eigendom bedrijven. Tijdig beginnen maakt dat er meer keuze is. Nu is wel het moment.

    Lees verder
  • Wiebes handhaaft beleid DBA, ondernemers en ZZP'ers in de kou Door Wijnkamp Keulers op 30-09-2016

    Staatssecretaris Wiebes heeft in het Kamer-debat van donderdagavond 29 september jl. volgehouden dat zijn wet DBA geen mislukking is. Hij heeft een commissie aangekondigd onder leiding van hoogleraar arbeidsrecht Gerrard Boot om de uitwerking van de wet DBA te evalueren. Tot die tijd handhaaft Wiebes zijn op de wet DBA gebaseerde beleid. Hij heeft wel een toezegging gedaan dat “goedwillenden” geen boete zullen krijgen, voor ZZP'ers lost dit helaas niets op.

    Want over naheffingen loonbelasting en premies en mogelijke naheffingen BTW zwijgt Wiebes en daarmee blijven de risico’s door afschaffing van de VAR voor opdrachtgevers volop bestaan. De Belastingdienst kan immers vijf jaar teruggaan en het aan de ZZP'er betaalde bedrag inclusief BTW als netto loon beschouwen, dus het risico daarover loon- en premieheffing moeten afdragen, is voor elke opdrachtgever een nachtmerrie, boete of niet. Opdrachtgevers en ZZP'ers hebben onoplosbare problemen met als gevolg voor de ZZP'er, geen opdrachten, geen werk, geen inkomen. Aan de slag via een pay-roller of als uitzendkracht met aanzienlijk minder inkomen lijkt de enige optie te zijn.

    Met het toezeggen dat er een evaluatie komt door een commissie onder leiding van hoogleraar Gerrard Boot geeft Wiebes duidelijk richting aan zijn visie op ZZP'ers. Zij moeten worden afgezet tegen arbeiders en werknemers, het centraal geleide Nederlandse arbeidsrecht met collectieve regelingen en heffingen moet het uitgangspunt blijven. Van het willen flexibiliseren van arbeid en stimuleren van ondernemerschap blijft weinig over. De visie dat ondernemers en ZZP'ers belangrijk zijn als flexibele schil en geen onnodige overheidsbemoeienis moeten tegenkomen, is niet te onderkennen in zijn beleid. De PvdA met Lodewijk Asscher is uiteraard enthousiast, de Tweede Kamer-fractie van de VVD pruttelt voor de vorm wat tegen, maar steunt Wiebes’ beleid. De oppositie is wel tegen, maar die heeft geen meerderheid, de ZZP'ers en ondernemers zijn dus definitief de pineut.

    Wat is er van de commissie Boot, door Wiebes ingesteld, te verwachten voor ZZP'ers, zien we het allemaal veel te donker in, of gaat er wel gekeken worden naar de positie van ZZP'ers vanuit de achtergrond dat keuzevrijheid voor het ondernemerschap niet nodeloos moet worden tegengewerkt en begrijpen we Wiebes niet, zoals hij zelf maar blijft roepen.

    Dat lijkt er niet op, de benadering blijft dat de positie van de ZZP'er moet worden afgezet tegen die van een (oudere) werknemer met een contract voor onbepaalde tijd, cao, collectieve regelingen etc. Het arbeidsrecht dat dat alles regelt, is benchmark, vandaar een hoogleraar arbeidsrecht, die dat alles gaat evalueren. Om te weten welke kant het op gaat, is het interessant om te zien wat hoogleraar Gerrard Boot in het verleden heeft gezegd over ZZP'ers in relatie tot het arbeidsrecht.

    Dat is niet moeilijk te traceren en dat valt niet mee. Zijn oratie in 2012 ter gelegenheid van aanvaarding van zijn ambt als hoogleraar arbeidsrecht aan de RUL was klip en klaar. De wettelijke bescherming van werknemers als zwakkere partij in arbeidsverhoudingen wordt uitgehold door ZZP'ers, die zichzelf niet kunnen beschermen tegen uitbuiting, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Kortom regulering en collectivisering is noodzaak. Een voor een arbeidsrecht jurist volkomen logische en heldere visie.

    Met de benoeming van Boot zal dus de bescherming van de arbeider/werknemer via het onderbrengen van de ZZP'er in (collectieve) overeenkomsten en verplichte collectieve sociale verzekeringen en collectieve pensioenregelingen naar verwachting de boventoon gaan voeren. Ondernemerschap, vrijheid van keuze zijn ondergeschikt aan het collectief. Wie had dat met een VVD-staatssecretaris van Financiën aan het roer ooit kunnen denken.

    Lees verder
  • DGA met pensioen in eigen beheer, het gaat veranderen ! Door Wijnkamp Keulers op 16-09-2016

    Er zijn nogal wat directeuren-grootaandeelhouders, die de aftrek van winst voor de vennootschapsbelasting maximaal hebben toegepast en nu opgescheept zitten met een pensioen in eigen beheer, dat niet uitbetaald zal kunnen worden. De waarde in het economisch verkeer van de verplichting is veel hoger dan de fiscale voorziening en bij nogal wat BV’s is zelfs een negatief eigen vermogen aan de orde. Tegenover de verplichting van de BV staat het recht van de DGA, er is in fiscaal opzicht een groot verschil in waarde, het recht is veel meer waard dan dat als verplichting is opgenomen. Bij rechttrekken van de verschillen ligt de fiscus dwars, er dreigt dan een belastingclaim van 72% over de waarde van het recht. Dat kan zo maar vele tonnen aan te betalen belasting betekenen, te betalen door een DGA die nogal eens ridder te voet blijkt te zijn. Er gebeurt dus niets uit angst voor afkoop en 72% IB. Om uit deze vastgeroeste situatie te kunnen komen, zijn er plannen om de regels over het pensioen in eigen beheer (PEB) te gaan aanpassen. De eerste indrukken zijn dat de voorstellen niet ver genoeg gaan om het probleem op te lossen.

    Het pensioen in eigen beheer was een speeltuin voor nogal wat accountants en pensioen- adviseurs, het leek een loterij zonder nieten. Dikke aftrekposten, zelfs over uitgesteld salaris, leeftijdsterugstelling, marktrente versus rekenrente en AOW franchise, het is allemaal aan de rechter voorgelegd maar na overwinningen volgde razendsnel reparatie van de wetgeving. Dat heeft de regelgeving uiterst ingewikkeld en onoverzichtelijk gemaakt, naar nu steeds meer blijkt, in het nadeel van de DGA.

    Bij pensioen in eigen beheer heeft de Belastingdienst een machtig wapen in handen, afwijking van de fiscaal toegelaten weg betekent afkoop, dus ineens belasten van de gehele pensioen verplichting, althans de geconstateerde opgeëiste rechten. Dat wapen, afkoop constateren en in een klap belasten, althans dreigen ermee, is door de Belastingdienst volop ingezet om het pensioen in eigen beheer te ontmoedigen. Zelfs bij zeer geringe overschrijding van de regelgeving wordt al met afkoop gedreigd. Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft steeds meer regelgeving opgesteld en uitvoering naar zich toegetrokken, de facto met als doel om het PEB onmogelijk te maken. De belastingclaims gaan inmiddels ver het genoten fiscale voordeel te boven.

    Met het toeslaan van de crisis en de sedertdien uiterst lage rentestanden zijn veel BV’s met beleggingen en een fiscale pensioenvoorziening in de problemen gekomen. De verplichtingen zijn veel groter dan dat er geld in de BV’s zit of zal komen. Pensioenbrieven, die de maximale aftrek van de winst voor de vennootschapsbelasting regelden, leveren verplichtingen op aan de DGA die nooit meer zijn na te komen. Voor de hand zou liggen dat de DGA afstand doet (van een deel) van zijn rechten, maar dan komt hij de fiscus (CAP) tegen. Die constateert dan “afkoop” met als gevolg heffing ineens over de gehele commerciële waarde van de pensioenrechten voor de DGA. Als het ware dus uitbetaling van het gehele bedrag ineens belast tegen 52% en 20% boete (revisierente). De fiscale reserve wordt in veel gevallen met tonnen verhoogd en over het geheel is dan 72% verschuldigd. De dreiging van het CAP alleen al maakt dat DGA’s wel uitkijken om ook maar iets met die pensioenregeling te doen. En het wordt nog erger. Want als de DGA een hoge rekening-courantschuld heeft, ook zo’n speeltje van veel DGA’s, salaris lekker laag en lenen van de BV, dan is dat op zich al aanleiding om “afkoop” te vrezen.
    Dat zit dus zo vast als een huis bij veel DGA’s, zij hebben een BV, die hen als een molensteen om de nek hangt en erger, vrouw en kinderen kunnen na overlijden van de DGA met fikse belastingclaims worden geconfronteerd en een hoop gedoe met de accountant en de fiscus.

    Staatssecretaris Wiebes heeft nu voorstellen gedaan om hier uit te komen. De verplichting of het recht van de DGA mag fiscaal neutraal worden afgestempeld tot de waarde van de fiscale reserve (voorziening). Let wel, de echtgenoot of partner moet wel akkoord gaan, dus dat kan nog wel even een puntje zijn. Na de afstempeling mag worden afgekocht met een korting. Waardoor in 2017 de te betalen belasting op 34% komt, in 2018 39% en in 2019 en 41,86%. Het afgestempelde bedrag mag ook in de BV blijven, verdere opbouw is dan niet meer mogelijk. Afkoop ook tegen deze korting zal voor velen niet haalbaar zijn en afstempelen en bevriezen stelt het probleem uit, lost het niet op.

    Als eerste aanzet is het een begin, het is echter nog niet zeker of het allemaal doorgaat. Wat wel duidelijk is, is dat de BV van veel DGA’s onderhoud behoeft. De traditionele structuren blijken nadelen te hebben nu veel DGA babyboomers de pensionado fase ingaan. Onderneem tijdig actie, want geld op en belasting moeten betalen, is voor een DGA zelf al heel vervelend, voor erfgenamen is het een drama.

    Lees verder
  • Rijden in een auto met buitenlands kenteken, riskant! Door Wijnkamp Keulers op 06-09-2016

    Nederlandse ingezetenen, die rijden in een auto met buitenlands kenteken, nemen een risico op naheffingen en boetes. Bij de naheffingen kan het gaan om motorijtuigenbelasting, BTW en BPM. Onlangs heeft de Rechtbank Noord-Nederland de naheffing van motorrijtuigenbelasting met een boete gehandhaafd, ondanks het verweer dat de auto maar voor een “uurtje” was geleend van een buitenlandse kennis. De auto had een Bulgaars kenteken en was eerder uit Nederland geëxporteerd. De Rechtbank vond dat er snel wordt voldaan aan het criterium “ter beschikking stellen”, dus ook even lenen kan al voldoende zijn. Vooral pensionado’s, die bijvoorbeeld vanuit hun tweede huis in Spanje met hun Spaanse auto terugrijden naar Nederland en Nederlands ingezetene zijn, lopen risico. Beter maar niet doen dus voordat u zich goed hebt voorgelicht over de consequenties.

    Lees verder
  • Verjaring van verschuldigde pacht Door Wijnkamp Keulers op 30-08-2016

    Als een pachtovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd en ook niet is goedgekeurd door de Grondkamer, kan de niet betaalde, maar wel verschuldigde pacht, niet in rechte worden ingevorderd door de verpachter. De niet schriftelijke vastlegging doet weliswaar aan de geldigheid van de overeenkomst niets af, maar heeft dus wel gevolgen hebben voor onder meer het innen van de verschuldigde pacht.

    Aanspraak op pacht

    De verpachter heeft op basis van de niet-goedgekeurde, maar wel bestaande (mondeling of schriftelijk) pachtovereenkomst materieel aanspraak op de pacht en de pachter heeft de plicht deze te betalen op de afgesproken datum van betaling, ook wanneer de pachtovereenkomst (nog) niet is goedgekeurd.
    Alleen, zolang de overeenkomst niet is goedgekeurd door de Grondkamer, kan de verpachter niet naar de rechter om de niet betaalde pacht te incasseren.

    Achterstallige pacht en verjaring

    Een verpachter zal dan ook, wanneer de pachter niet betaalt, eerst moeten zorg dragen voor schriftelijke vastlegging en goedkeuring van de pachtovereenkomst, voordat hij de pacht kan incasseren via de pachtrechter. De verjaringstermijn ter zake van het invorderen van de achterstallige pacht begint iedere keer op het afgesproken moment van betaling. Voor de verjaringstermijn is het niet van belang of de Grondkamer de pachtprijs bij goedkeuring eventueel naar boven of beneden vaststaat.

    Ook het tijdstip van goedkeuring van de pachtovereenkomst is niet van belang voor de aanvang van de verjaringstermijn, heeft het Hof Arnhem onlangs bepaald. Immers zo zou de verpachter de mogelijkheid hebben om achterstallige pacht tot nagenoeg in lengte van jaren te vorderen - namelijk over de jaren dat de pachtovereenkomst nog niet is goedgekeurd tot vijf jaar na goedkeuring. Naar de mening van het Hof zou dat in strijd zijn met de ratio van verjaring van periodieke vorderingen. De strekking van verjaring is de schuldenaar/pachter bescherming te bieden tegen het sterk oplopen van de door hem verschuldigde betaling, doordat de schuldeiser, in casu de verpachter, een aantal termijnen niet opvordert.

    De sanctie opgenomen in artikel 7: 322 BW - pas na goedkeuring van de pachtovereenkomst komt aan de verpachter een rechtsvordering toe - doet dus niets af aan het moment van verschuldigd zijn van de pachtprijs, maar is alleen bedoeld als prikkel om de pachtovereenkomst schriftelijk vast te leggen en te laten goedkeuren door de Grondkamer.

    Lees verder
  • Belastingdienst krijgt dwangsom opgelegd bij weigering te beslissen Door Wijnkamp Keulers op 23-08-2016

    Onlangs heeft het Hof Den Haag beslist dat de Belastingdienst € 1.260 aan dwangsom moest betalen, € 166 aan griffierecht en € 1.488 aan kostenvergoeding moest betalen aan een belanghebbende, die klaagde over het maar uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift. De inspecteur was in beroep gegaan tegen een eerdere beslissing van Rechtbank, die hem ook al ongelijk had gegeven.

    Als een inspecteur maar blijft talmen met het doen van uitspraak, is er een mogelijkheid om de Belastingdienst in gebreke te stellen. De inspecteur moet daarna dan binnen zes weken beslissen, doet hij dat niet, dan gaat een dwangsom lopen die kan oplopen tot maximaal € 1.260. Ook is bij het verder voortduren van de weigering het mogelijk om rechtstreeks naar de rechter te gaan.

    Natuurlijk is het in veel gevallen aan te bevelen elkaar wat ruimte te gunnen, een afwijzing van een ingediend bezwaar betekent een gang naar de rechter met alle kosten van dien. Niettemin maakt de Belastingdienst er soms een potje van. Dat kan zijn vanwege personeelsproblemen, verhuizingen en dergelijke. Maar soms ook omdat een inspecteur de zaak boven het hoofd is gegroeid of omdat er “beleid” is vanwege “vergelijkbare” gevallen, al dan niet onder de rechter. Men rekt dan liever om geen precedent te scheppen.

    Een belanghebbende hoeft zich dit allemaal niet te laten welgevallen, het is goed dat ook de Belastingdienst zich niet kan onttrekken aan normale verhoudingen en normale termijnen. Het moeten betalen van een dwangsom en kosten, zo heb ik begrepen, komt ten laste van de begroting van de betreffende inspectie, men vindt dat dus niet zo leuk. Met enige mate en met gevoel toegepast kan een ingebrekestelling helpen om een wat snellere beslissing te krijgen en dat blijkt soms helaas nodig te zijn. Het komt zelfs voor de dat de behandelend inspecteur er niet zo mee zit, het lost dan ook voor hem het probleem op dat hij beleid moet uitvoeren waar hij het niet mee eens is. Hebt u het gevoel dat er maar niet wordt beslist, dan is het forceren van een beslissing en een versnelde gang aar de rechter soms beter dan maar te blijven wachten, ingebrekestellingen en aanzeggen van dwangsommen hebben dus wel degelijk nut.

    Lees verder
  • Navorderingsaanslagen en boetes, betwisten loont! Door Wijnkamp Keulers op 21-07-2016

    Boetes voor niet aangegeven inkomsten kunnen aardig oplopen. Bij niet opgegeven buitenlands vermogen is het zelfs maximaal 300%, wordt vrijwillig verbeterd dan kan het 120% zijn. De door de Belastingdienst opgelegde boetes zijn lang niet altijd terecht, dat komt omdat de Belastingdienst zich aan strikte voorwaarden moet houden en dat blijkt nogal eens niet gelukt te zijn.

    Er moet sprake zijn van opzet, voorwaardelijke opzet of aan opzet gelijk te stellen grove schuld van een belastingplichtige. In het kort komt het erop neer dat lang niet elke fout leidt tot opzet e.d., daarvoor is vereist dat niet betalen van belasting het doel was en dat de belastingplichtige wist dat hij onjuist aangifte deed. De inspecteur moet de opzet e.d. bewijzen en hij moet bovendien als hij gaat voor “opzet” ook die vereisten bewijzen, grove schuld bewijzen is dan niet voldoende, de hele boete vervalt in zo’n geval.

    Vooral bij echtelieden, waarbij de bankrekeningen op naam van de man staan, hij de administratie voert en de vrouw wel “iets wist maar niet precies” is het lastig om bij beiden “opzet e.d.” te kunnen constateren. Het is in dit soort gevallen zelfs lastig voor de inspecteur om bij de vrouw 12 jaar te kunnen navorderen. In veel gevallen is bij de vrouw geen boete aan de orde en maar over 6 jaar navordering mogelijk. Als iemand de regels niet heeft begrepen en onjuist aangifte heeft gedaan, is het opleggen van een boete ook lastiger voor de inspecteur. Niet te snel toegeven dus, dat u wel wist hoe het zat. En er speelt nog iets.

    Onlangs heeft de Hoge Raad beslist (voor IB 2011!) dat box 3 belasting heffen op basis van fictief inkomen (4% rente, geniet u feitelijk immers niet) mag, maar dat als blijkt dat deze rendementen op langere termijn niet kunnen worden gehaald, dat anders kan komen te liggen. Nu leven we inmiddels in 2016, de rente is nog steeds helemaal niks, dus is de vraag of voor 2016 de Hoge Raad anders zou beslissen. Wij denken van wel, dus bezwaar maken bij IB 2015 en 2016. Voor fictieve 4% inkomsten uit niet opgegeven (buitenlands) vermogen begint nu echter wel een probleem voor de inspecteur te ontstaan. Kan een vergrijpboete (maximaal 300%) op basis van deze feitelijk niet genoten inkomsten eigenlijk wel worden opgelegd. Wij denken van niet, het lijkt in strijd met de verdragen, die eigendom van burgers beschermen. Maak bezwaar dus, ook bij vrijwillige verbeteringen!

    Een tip is wel om in dit soort gevallen niet uw eigen boekhouder of accountant in te schakelen. Punt is dat zij in hun maag (moeten) zitten met de omstandigheid, dat u inkomsten hebt verzwegen, vaak geven ze teveel informatie aan de inspecteur, dat is niet goed. Het is beter om u van meet af aan door een fiscaal advocaat te laten begeleiden, wel op tijd komen want hebt u al van alles bekend en toegegeven en dat doet u dan alsnog de das om.

    Lees verder
  • Hoge Raad beslist: winst bij verkoop overtollig ex-bedrijfspand belast, vorming herinvesteringsreserve (HIR) niet toegestaan Door Wijnkamp Keulers op 27-06-2016

    De Hoge Raad staat vorming HIR niet toe bij verkoop van leegstaand bedrijfspand. De eis dat sprake moet zijn van vervreemding van een bedrijfsmiddel en herinvesteringsvoornemen in een pand met dezelfde economische functie blijft volstrekt overeind. Ga dus niet te makkelijk om met overtollige panden en herinvestering als herinvestering de bedoeling is. Actieve ondernemingen worden steeds meer onderscheiden van beleggingsactiviteiten, houd daar rekening mee en wijzig tijdig de functie binnen de onderneming.

    Bedrijfsmiddel waarop niet of gewoonlijk in meer dan 10 jaar wordt afgeschreven

    Het ging hier om een pand, afschrijving gewoonlijk in meer dan 10 jaar, dus vervanging moet plaats vinden door een bedrijfsmiddel met eenzelfde economische functie. In dit geval had een ondernemer oorspronkelijk een apotheek in de vorm van een eenmanszaak en in een pand dat tot het ondernemingsvermogen van die eenmanszaak behoorde. Later verhuisde de apotheek naar een gehuurd pand. Het oorspronkelijke bedrijfspand bleef vanaf het moment van de verhuizing leeg staan.

    Toen de apotheker in 2007 haar eenmanszaak omzette in een BV werden het leegstaande bedrijfspand en de ondernemingsactiviteiten in twee aparte BV's ingebracht. Het bedrijfspand bleef leegstaan en werd alleen nog aangehouden met het oog op de verkoop. Vanaf 1 januari 2009 vormden beide BV's een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Toen het bedrijfspand snel daarna werd verkocht, vormde de BV waarin het pand zat een HIR voor de behaalde boekwinst.

    De inspecteur vond echter dat het leegstaande pand geen bedrijfsmiddel was, maar voorraad en ging daarom niet akkoord met het vormen van een HIR. Hof Arnhem-Leeuwarden was het eens met de inspecteur en voegde hieraan toe, dat het feit dat per 1 januari 2009 een fiscale eenheid was ontstaan, niet betekende dat het leegstaande pand opeens weer als bedrijfsmiddel kwalificeerde.

    Niet vergelijkbaar, pand had geen functie meer in de onderneming

    Het bedrijfspand had na de inbreng van de apothekersonderneming in de BV geen functie meer, want het werd niet mee ingebracht in de "actieve BV" en stond leeg met het oog op verkoop. Er was feitelijk een onttrekking in afwachting van verkoop en daar zat hem de kneep. De boekwinst behaald bij de verkoop van het pand kan daarom niet worden ingezet voor een bedrijfsmiddel dat 'eenzelfde economische functie' zal vervullen als de functie die het verkochte pand vervulde. Dat de fiscale eenheid voor de VpB de boel niet repareerde is terecht, een fiscale eenheid verandert niets aan de juridische scheiding tussen de BV's die de eenheid vormen, bovendien was de fiscale eenheid pas later gevormd toen het pand de status van bedrijfsmiddel al niet meer had. Omdat het pand dus eerder als "overtollig" was aangehouden met het oog op verkoop was er geen sprake van bedrijfsmiddel, dus geen vorming van HIR mogelijk volgens de Hoge Raad.

    Lees verder
  • Vanaf 1 september 2016 betere bescherming erfgenamen Door Wijnkamp Keulers op 10-06-2016

    De Eerste Kamer heeft deze week ingestemd met het wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat erfgenamen hun privévermogen beter kunnen afschermen voor eventuele schulden uit een nalatenschap. Onder de huidige regeling kunnen erfgenamen door bepaalde gedragingen, zoals het meenemen van spullen of het betalen van een openstaande rekening van de erflater, een nalatenschap zuiver aanvaarden en zo ook de schulden van de erflater op zich nemen. De schuldeiser van de erfgenaam kan zijn of haar vordering dan ook verhalen op het privévermogen van de erfgenaam, wanneer de nalatenschap ontoereikend is om de schuld te voldoen.

    In de praktijk is gebleken dat erfgenamen vaak ongemerkt de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, er is dan geen mogelijkheid meer om alsnog beneficiair (onder voorrecht van boedelbeschrijving) te aanvaarden. Eens gekozen, blijft gekozen.

    Rapport Erven

    Naar aanleiding van het Rapport Erven (Radboud Universiteit en Netwerk Notarissen, oktober 2012) is, naast betere voorlichting, er voor gekozen om via een wetswijziging de erfgenamen beter te beschermen tegen onverwachte schulden en ook gedragingen, die een zuivere aanvaarding tot gevolg kunnen hebben nader te duiden. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft niet gekozen voor het standaard beneficiair aanvaarden van een nalatenschap, mede vanwege het feit dat nalatenschap dan altijd volgens de wettelijke vereffeningsregels moeten worden afgewikkeld.

    Gedragingen die een zuivere aanvaarding tot gevolg hebben

    In de regeling, die vanaf 1 september 2016 in werking treedt, is opgenomen dat alleen die gedragingen, die leiden tot benadeling van schuldeisers van de nalatenschap, zuivere aanvaarding tot gevolg hebben. Dit zal dus bijvoorbeeld aan de orde zijn, wanneer een erfgenaam goederen van de nalatenschap verkoopt of op andere wijze onttrekt aan de eventuele schuldeisers. Te denken valt hierbij aan de verkoop van de woning van de erflater of het verdelen van een waardevolle collectie uit de nalatenschap onder de erfgenamen. Het meenemen van een familiefotoalbum is niet aan te merken als een benadeling van de mogelijke schuldeisers.

    Uitzondering voor onverwachte schulden

    Verder is er een uitzondering opgenomen voor die situaties, waarin een erfgenaam na zuivere aanvaarding van de nalatenschap, onverwachts wordt geconfronteerd met een schuld van de nalatenschap en waarvoor de nalatenschap niet toereikend is. In dat geval kan de erfgenaam binnen drie maanden na het ontdekken van deze schuld verzoeken om door de kantonrechter te worden gemachtigd alsnog beneficiair te aanvaarden.

    Wanneer pas na vereffening of verdeling de erfgenaam met een onverwachte schuld bekend wordt, kan de erfgenaam aan de kantonrechter, ook weer binnen drie maanden, verzoeken om te worden ontheven van zijn plicht de schuld uit zijn privévermogen te voldoen, voor zover deze niet uit het erfdeel kan worden voldaan.

    Het moet wel gaan om onverwachte schulden, die de erfgenaam niet kende of behoorde te kennen op het moment dat de erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaardde. Het wel bekend zijn met een schuld, maar niet met de hoogte daarvan, is geen onverwachte schuld.
    Als onverwachte schuld kan ook worden aangemerkt een vordering uit onrechtmatige daad, gepleegd door de erflater tijdens zijn of haar leven, waarvoor deze schadeplichtig is.

    Lees verder
  • Niet 2% maar 6% overdrachtsbelasting voor grasland bij woonboerderij Door Wijnkamp Keulers op 11-05-2016

    Bij de verkrijging van een woning is sinds juni 2011 het verlaagde tarief aan overdrachtsbelasting, te weten 2%, verschuldigd. Sinds 2013 geldt dit verlaagde tarief ook voor aanhorigheden bij de woning, zoals tuin, garage of schuur, ook als deze later worden verkregen dan de woning. Wat onder een 'aanhorigheid' moet worden verstaan, is onlangs verduidelijkt door een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden.

    In casu ging het om een woonboerderij met een daarbij gelegen perceel grasland. Ter zake van de verkrijging ad € 495.000 is door de koper 2% overdrachtsbelasting afgedragen. De Belastingdienst heeft, na taxatie, een naheffingsaanslag opgelegd ter grootte van 4% van de waarde van het grasland, door de Belastingdienst berekend op € 400.000, verhoogd met een verzuimboete van 10% en belastingrente.

    De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat het perceel grasland in deze niet is aan te merken als een aanhorigheid bij de woning. De belanghebbende meent dat er wel sprake is van een aanhorigheid bij de woonboerderij. Immers de (kadastrale) percelen van de woonboerderij en het grasland grenzen aan elkaar en de percelen zijn tegelijkertijd geleverd. Belanghebbende stelt ook gedwongen te zijn geweest tot de totale aankoop, aangezien hij feitelijk alleen belang had bij het verkrijgen van het perceel grasland. De Rechtbank volgt het standpunt van de inspecteur en handhaaft de naheffingsaanslag ter zake van het verschil tussen 2% en 6%.

    In hoger beroep merkt het Hof op dat in het algemeen een perceel grasland, anders dan een tuin of schuur o.i.d., niet aangemerkt wordt als een aanhorigheid van een woning.

    Het Hof overweegt dat tot een woning behoren de ondergrond, de tuin en aanhorigheden, zoals een garage of een schuur, serre, aanbouw en dergelijke, die op hetzelfde perceel als de woning bevinden. Is er sprake van meer dan één kadastraal perceel, zoals in dit geval, dan moet naar de mening van het Hof aan de volgende cumulatieve voorwaarden worden voldaan, wil er sprake zijn een aanhorigheid:
    - de percelen grenzen aan elkaar;
    - de percelen zijn naar verkeersopvatting te beschouwen als één geheel; en
    - de percelen zijn tegelijkertijd aan de koper geleverd door dezelfde verkoper.

    Het Hof is van oordeel dat onder meer aan de 2e vereiste niet wordt voldaan, naar de mening van het Hof is er geen sprake van één geheel en hoort het perceel grasland niet bij de woonboerderij. Het feit dat het perceel grasland alleen via het erf van de woonboerderij kan worden betreden, is daartoe niet voldoende. Ook het feit dat het perceel hobbymatig wordt benut, maakt niet dat er sprake is van een aanhorigheid, aangezien dit gebruik niet dienstbaar is aan de woonfunctie van de woonboerderij. De uitspraak van de Rechtbank blijft in stand.

    Lees verder
  • Per 1 mei afgeschafte VAR wordt nu al node gemist Door Wijnkamp Keulers op 02-05-2016

    Sinds 1 mei is een opdrachtgever van ZZP’ers en andere ondernemers weer volledig aansprakelijk voor de afdracht van loonbelasting en premies voor werknemersverzekeringen. De VAR is afgeschaft en de DBA is ervoor in de plaats gekomen. De VAR is indertijd ingevoerd om de bureaucratische belemmeringen voor kleine zelfstandigen weg te nemen en te voorkomen dat opdrachtgevers (volledige) betaling van facturen uitstelde, omdat ze zekerheid wilde hebben dat de Belastingdienst en UWV niet achteraf alsnog (na)heffingen zouden opleggen. In sommige gevallen werd tot 60% ingehouden, terwijl tenminste 30% het meeste voorkwam. Inmiddels zijn kleine ondernemers terug bij af, er dreigt weer onvolledige betaling of moeten zij minimaal 30% betalen aan tussenpersonen, zoals pay-roll bedrijven. De fiscale regelgeving belemmert start-ups en creatieve bedrijven, ook vaklui met een eigen bedrijf hebben er nu al veel last van. De hoop, dat het de facto belemmeren van ZZP arbeid cao-vaste dienstverbanden in ere zal herstellen, lijkt de bovenhand te voeren. Het beeld ontstaat dat, na het voor ondernemers mislukte nieuwe arbeidsrecht, wederom stappen terug zijn gezet waar stappen vooruit nodig zijn om werkgelegenheid te behouden. Staatssecretaris Wiebes komt nu met een adviescommissie om de problemen te adresseren, het zal niet gaan meevallen naar ons idee.

    Het is niet, dat hij niet probeert de scherpe kantjes en de schadelijke gevolgen van het afschaffen van de VAR te verminderen. Wiebes ziet kennelijk ook wel, dat het aannemen van werkenden in vaste dienstverbanden niet gebeurt. Als nu ook ZZP werk wordt belemmerd en onder dreiging komt van boetes en ander ongerief, dan zal dat vooral bij vaklui in de bouw en de industrie en in de creatieve en IT sector negatieve gevolgen hebben. Je kunt start-ups en innovatie stimuleren wat je wilt, maar relatief hoge vaste lonen, CAO's en 2 jaar moeten doorbetalen bij ziekte en bijkomende werkgeverslasten gaat niet werken in deze sector. Buitenlandse start ups en innovators zitten met dit soort verplichtingen al snel in Finland, Oost Europa of de VS. Dat bleek deze week al toen Spotify aankondigde de Europese bureaucratie te gaan ontlopen door naar de VS te verkassen. Als de buitenlanders Nederland links zullen laten liggen, zullen de Nederlanders niet achterblijven, dus tel uit je winst.

    In een poging wat meer ruimte te creëren en de onvrede weg te nemen, had Wiebes al bij de wetsbehandeling in de Eerste Kamer toegezegd dat de Belastingdienst vooraf modelovereenkomsten zou publiceren en desgevraagd binnen zes weken een oordeel zou geven over de aanwezigheid van een dienstbetrekking. Bovendien kon iedereen een specifieke overeenkomst voorleggen, die zou dan binnen zes weken tot een standpunt van de Belastingdienst leiden. Ook gaf hij te kennen dat échte ZZP professionals niet als werknemer aangemerkt zouden worden, het ging om misbruik en schijnconstructies aan de onderkant te bestrijden.

    Materie-deskundigen constateerden tijdens de behandeling in de Eerste Kamer al, dat de toezegging van Wiebes onuitvoerbaar was voor de Belastingdienst en inderdaad, de door hem voorgestelde aanpak levert fikse problemen op in de uitvoering. Want zoals verwacht, komt de Belastingdienst er niet uit, althans niet uit de visie die de Staatssecretaris heeft geuit. De Belastingdienst heeft een andere, heel wat strengere, beoordeling voor ogen en dat begint nu in brede kring bekend te worden. Niet alleen de onderkant wordt bestreden, alle ZZP’ers en hun opdrachtgevers hebben flink last van de afschaffing van de VAR.

    De Staatssecretaris heeft nu te elfder ure een commissie ingesteld om te beoordelen of de voorlichting van de Belastingdienst wel adequaat is en gevraagd om advies. Dat advies zal naar ons idee niet meevallen als de huidige regelgeving blijft zoals hij is. Kern van de problemen is ketenaansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor de opdrachtgever ook als die weinig te verwijten valt. Als Wiebes dat in tact laat, kan en is er geen oplossing denkbaar. De VAR was en is noodzakelijk, de DBA is onuitvoerbaar.

    Wij geven Staatssecretaris Erik Wiebes en de commissie dan ook maar alvast een voorzet en geven het volgende in overweging. De VAR afschaffing en invoering van de DBA leidt tot onduidelijkheid en risico’s op naheffing en boetes met een hoop gezeur en zelfs vervolgingsrisico, daar zit geen ondernemer en ZZP’er op te wachten. Het stagneert en belemmert het (M)KB en lost het probleem van verdringing op de arbeidsmarkt niet op. Wat dan wel de werkgelegenheid duurzaam zal verbeteren, is moeilijk aan te geven, maar een begin kan zijn, dat je regelt dat vraag en aanbod van en naar de diensten van vaklui, IT'ers, creatievelingen, innovators, interim managers, consultants en wat dies meer zij en de professionals op elkaar kunnen worden aangesloten. Laat hen zelf de keuze maken om al of niet in dienstbetrekking te werken, als zij geen cao, verplichte verzekeringen en werknemerschap willen, dring dat dan niet op. Afdracht van belastingen regel je met voorlopige aanslagen IB en een beter toezicht op BTW aangifte en afdracht.

    Als je vervolgens vindt dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt kwetsbare werknemers moeten worden beschermd, doe dat dan en kijk vanuit die bril eens naar het arbeidsrecht en de oude VAR regeling in combinatie met de huidige (niet gewijzigde) Wet op de Loonbelasting.

    En wat blijkt dan, met de VAR en de bestaande regelgeving kunnen schijnconstructies uitbuiting en misbruik prima worden bestreden, ook bij misbruik van een VAR was een opdrachtgever immers aansprakelijk. Geef de Belastingdienst behoorlijke en uitvoerbare opdrachten in plaats van hen op te zadelen met een opdracht om modelovereenkomsten op te stellen, waar ze niet toe in staat zijn. Er zijn 900.000 ZZP'ers en 350.000 (M)KB ondernemers, die meerdere verschillende opdrachten per jaar uitvoeren, er was een tijd dat politici en overheid die werkgelegenheid een warm hart toedroegen en stimuleerden in plaats van tegenwerkte. Dat is nog niet eens zo lang geleden…

    Lees verder
  • Ondernemers en zonnepanelen, in 2016 een goede combinatie Door Wijnkamp Keulers op 21-04-2016

    U heeft als maatschappelijk doel om “duurzaam” te ondernemen, of u bent geïnspireerd door het klimaat en u zoekt een investering waarmee u zowel milieubewust als fiscaal verantwoord bezig bent; Wellicht is het aanschaffen van zonnepanelen een interessante optie voor u.


    BTW-aftrek

    Alle kosten die u maakt zijn als btw-plichtig ondernemer aftrekbaar. Zowel de advies-, aanschaf- als installatiekosten zijn aftrekbaar in uw onderneming en zo is de eerste 21% bespaart ten opzichte van de particulier, die er niet voor kiest om aangemerkt te worden als ondernemer. Dit is wel mogelijk, ook speciaal voor het aanschaffen van zonnepanelen.

    Investeringsregelingen
    Energie-investeringsaftrek (EIA)
    Deze EIA kan oplopen tot 58% van de totale waarde van uw aanschaf. Per 1 januari 2016 is deze aftrek verhoogt van 41,5% naar 58%. Deze aftrek is beschikbaar omdat zonnepanelen op de zogenaamde ‘Energielijst’ staan en dus kan hiervoor een verklaring worden aangevraagd om gebruik te maken van deze investeringsregeling.

    Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)
    Met de KIA kan uw voordeel oplopen tot wel 86%. De maximale hoogte van deze aftrek is 28%. De KIA mag in combinatie met de EIA en dat betekent dus een flink extra voordeel. Aan deze aftrek zit wel een minimum aan investeringen in een jaar van € 2.300, tevens zit er een maximale aftrek op wat afhankelijk is van de hoogte van de totale investering.

    Wat betekent dit voor u als ondernemer?

    Uw voordeel is gemakkelijk uit te rekenen. Aan de hand van het volgende voorbeeld maken we u duidelijk hoe.
    Stel, u heeft een investering van € 10.000, exclusief de al afgetrokken BTW. Met zowel de EIA als de KIA kunt u maar liefst 86%! aftrekken van uw fiscale winst (BV) of uw belastbaar inkomen (IB ondernemers), oftewel € 8.600. Hiermee bespaart u in een klap, als BV, een bedrag van € 1.720 aan vennootschapsbelasting en, als IB ondernemer (ligt aan de hoogte van uw belastbaar inkomen) wanneer we van 42% uitgaan, € 3.612 aan belasting. Tevens is de investering van € 10.000 in 5 jaar af te schrijven tot 0 euro, waardoor u ook nog eens € 2.000 per jaar in aftrek kunt brengen. En dan hebben we het minder betalen aan uw energierekening nog niet eens meegenomen.

    Oftewel, het is een hele zinvolle overweging. Daarnaast heeft de overheid ook nog een mooi subsidiebudget voor 2016.

    Subsidieregelingen

    Voor 2016 heeft de overheid het budget voor de “stimulering duurzame energieproductie” verhoogd naar 8 miljard. Per gemeente en provincie is het verschillend of hieraan meegedaan wordt. Dit kunt u checken via de website www.energiesubsidiewijzer.nl

    Bent u al overtuigd?

    Lees verder
  • Commissarissen niet meer hoe dan ook verplicht onder de loonheffingen Door Wijnkamp Keulers op 24-03-2016

    Commissarissen waren tot nog toe aangewezen als werknemer. Er was sprake van een fictieve dienstbetrekking, dus ongeacht de werkelijke situatie, ondernemer of vrije beroepsbeoefenaar, er moest hoe dan ook loonheffing worden ingehouden en afgedragen over de beloning. Dat leidde er in sommige situaties toe, dat naast loonheffing ook nog eens BTW verschuldigd was, overigens in beginsel over het bruto loon. Bij de aangifte IB leidde het er soms toe dat de beloning als winst uit onderneming werd aangegeven en de ingehouden loonbelasting werd verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.

    Met het afschaffen van de VAR heeft staatssecretaris Wiebes nu ook besloten de fictieve dienstbetrekking voor de commissaris af te schaffen, en wel feitelijk per 1 mei 2016. Dat is op zich een goede ontwikkeling, niettemin is er wel werk aan de winkel, want het wordt nu niet ineens eenvoudig.

    Vanaf 1 mei 2016 moet voor elke commissaris worden beoordeeld of er sprake is van een dienstbetrekking op inhoudelijke gronden, dat kan ook een fictieve dienstbetrekking zijn. Voor sommige commissarissen zal er niet veel veranderen, voor ander commissarissen in het bijzonder degenen, die nu al BTW in rekening brachten, zal er wel het nodige veranderen. Een gezagsverhouding zal niet zonder meer aanwezig zijn, hoewel het ook niet is uit te sluiten als de AVA feitelijk gezag uitoefent. Er kan ook sprake zijn van een dienstbetrekking en dus loon, als een AB-houder of partner daarvan werkzaamheden verricht in zijn “eigen” BV. Net zoals bij iedere ZZP’er annex vrije beroepsbeoefenaar zal nu moeten worden beoordeeld of sprake is van inhoudingsplicht of niet. Modelovereenkomsten van de Belastingdienst volgen hopelijk snel.


    *Besluit 14 maart 2016 Staatscourant 14756 23 maart 2016 BLKB2016/265M

    Lees verder
  • Tweede Kamer neemt DGA en ondernemer op de korrel, …“sitting ducks”? Door Wijnkamp Keulers op 24-03-2016

    De SP, bij monde van de heer Bashir, heeft vragen gesteld over de zogenaamde fiscale arbitrage door vermogenden via hun onderneming of hun BV. Met fiscale arbitrage wordt bedoeld dat met de ondernemingen fiscale trucs worden uitgehaald om te ontlopen aan box 3-heffing en inkomsten te verlagen. Portee van de vragen was tevens of het mogelijk was om de inkomsten en het vermogen voor box 3 zo te verlagen, dat er onterecht gebruik kan worden gemaakt van toeslagen. Staatssecretaris Wiebes heeft geantwoord, dat hij niet de indruk heeft dat alleen fiscale motieven aan de orde zijn bij het onderbrengen van vermogen in de ondernemingssfeer of in de BV, maar dat naast het fiscale voordeel ook andere motieven aan de orde zijn. Oneigenlijk gebruik van ondernemersfaciliteiten moet worden afgezet tegen het niet belemmeren van economische ontwikkelingen, waaronder bedrijfsopvolging. Wiebes antwoordde tevens dat alles in een later stadium in het kader van de plannen voor belastingherziening worden meegenomen.

    Ons commentaar:

    De vragen hadden betrekking op het aanhouden van spaargeld in de BV, of de Belastingdienst zicht heeft op het aantal BV’s met duurzaam overtollige liquide middelen, toeslagen die moeten worden uitgekeerd aan zeer vermogenden met vermogen buiten box 3 en lage inkomsten, de bedrijfsopvolgingsregelingen en verliesverrekening binnen box 2.

    De vragen en de antwoorden geven aan dat de positie van ondernemers en de rol van eigen vermogen in de onderneming een fundamentele heroriëntatie wacht. Fiscale faciliteiten, die het eigen vermogen versterken, kosten in de ogen van de overheid teveel. Diezelfde overheid groeit 3-5% per jaar, althans de collectieve lasten groeien met dat percentage. Werknemers en ambtenaren consumeren te weinig, daar kun je de belastingopbrengsten dus niet vergroten. Het gaat dus gehaald worden daar waar het geld zit en daar waar het minste electorale tegengas wordt verwacht. Bij het midden- en kleinbedrijf en de vermogende(n) ouderen dus.

    Of de genuanceerde afweging, die Wiebes nu geeft, te weten niet teveel wegbelasten van eigen vermogen om de ontwikkeling van het MKB en de bedrijfsopvolging niet te belemmeren, de politieke belangenbehartiging door partijen als de SP zal overleven, is zeer de vraag. Als Wiebes de belastingherziening doorzet volgens eerder geuite beleidsvoornemens, dan heeft de bedrijfsopvolging met fiscale faciliteiten in de huidige vorm de langste tijd gehad, zal er meer verplicht loon moeten worden uitgekeerd en zal het vermogen in BV’s eerder en meer worden belast. Oudedagsvoorziening opbouwen via de onderneming of BV, vergeet het maar… verplichte deelname aan collectieve regelingen ligt meer voor de hand. De BV en eigen onderneming dreigt een fuik te worden, waaruit ontsnappen lastig zal zijn. Uw BV en onderneming zijn geen rustig bezit meer. Neem maatregelen nu het nog kan.

    Lees verder
  • Niet meer bestaande BV kan geen beroep instellen Door Wijnkamp Keulers op 04-03-2016

    Als een BV is opgehouden te bestaan, bijvoorbeeld door een ontbindingsbesluit van de aandeelhouders, dan kan er niet meer namens de BV worden gehandeld, deze bestaat namelijk niet meer. Zolang de vereffening duurt, moet bij elke uiting door de vereffenaar (BV in liquidatie) worden toegevoegd, de BV bestaat dan voort zolang de vereffening niet is afgerond. In dit geval was de vereffening afgerond. De BV kon daarom ook niet meer in beroep gaan, zo besliste de Rechtbank Den Haag. Een terechte uitspraak, degene die het beroep had ingesteld, heeft naar het zich laat aanzien, de verkeerde weg gekozen. Het beroep zou meer kans hebben gehad, indien tevens een verzoek tot heropening van de vereffening zou zijn gedaan. Het Hof Den Bosch heeft dit eerder beslist en bepaalde:
    De rechtspersoon herleeft als de vereffening op de voet van artikel 2:23c, lid 1, BW wordt heropend en dat brengt mee dat de termijn voor het indienen van bezwaar tegen een aanslag die wordt vastgesteld nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, eerst een aanvang neemt zodra, nadat die vereffening is heropend, die aanslag aan de vereffenaar is bekend gemaakt. Indien voordat de vereffening is heropend door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven, op naam van de ontbonden rechtspersoon tegen die aanslag een bezwaarschrift is ingediend, dient niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar met overeenkomstige toepassing van artikel 6:10 Awb achterwege te blijven.

    De Rechtbank besloot in dit geval ook niet op grond van bijzondere omstandigheden het beroep te behandelen. De formele aspecten van een aanslag, bezwaar en beroep zijn vaak van doorslaggevend belang. Al te zeer op de inhoud focussen, kan tot dit soort zeperds leiden. De handleiding “Procederen voor dummies” biedt geen soelaas, zoals ook een zielig verhaal de rechter er niet toe zal brengen het beroep toch in behandeling te nemen. Het enige voordeel hier is dat er mogelijk een tweede kans is, het hof heeft die weg keurig aangegeven.
    (Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 april 2011, 10/00486 ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9911)

    Lees verder
  • 2016 nadert, check nog even … Door Wijnkamp Keulers op 18-11-2015

    Uw voorlopige aanslagen
    Een te lage voorlopige aanslag is duur geld. Voor de vennootschapsbelasting brengt de Belastingdienst 8,05% rente in rekening. Voor de IB is dit 4%, ook te hoog dus om daar voordeel uit te halen. Wijkt uw inkomen of winst af van de verwachtingen, die u eerder had, neem dan contact op met ons om een hogere voorlopige aanslag te laten regelen. Een te hoge voorlopige aanslag is niet voordelig, daarover vergoedt de Belastingdienst geen rente. Zorg dus dat de voorlopige aanslag ongeveer in lijn ligt met de definitieve aanslag.

    Schenken kan voordelig zijn
    De erfbelasting ouders onderling en kinderen kent na vrijstellingen een tarief van 10% tot ruim € 121.000, daarboven 20%. Er is een vrijstelling van ruim € 20.000 voor kinderen en ruim € 633.000 voor echtelieden. Dat betekent dat kinderen tot ruim € 140.000 met 10% wegkomen, daarboven is het 20%. Boven de jaarlijkse vrijstelling van € 5.277, is er dus de mogelijkheid om tot ruim € 121.000 tegen 10% heffing te schenken. Bij grotere vermogens en ouders op leeftijd kan eerder schenken dus voordeel opleveren. Ook gebruik maken van de eenmalige verhoogde vrijstellingen kan voordelig zijn. Wees voorzichtig met ingewikkelde testamenten, het komt nogal eens voor dat de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën op grote schaal toegepaste trucs alsnog repareert en dat dit soort testamenten dan vervolgens zeer nadelig uitpakken. Bent u ondernemer, dan zijn er heel andere maatregelen nodig en mogelijk. Vermogen actief in de ondernemingssfeer aanwenden blijft vooralsnog het beste planningsinstrument.

    Open fonds voor gemene rekening
    Is het wat voor u, is het een alternatief voor box 3 en de dreigende zwaardere vermogensbelasting? Als u een groot vermogen in box 3 hebt en geen mogelijkheid of zin hebt om via een onderneming te investeren, dan kan een dergelijk fonds een mogelijkheid zijn. U gaat dan in plaats van 1,2% of meer in de toekomst, over de gerealiseerde winst van het fonds 25% betalen. Er zitten haken en ogen aan, het is de vraag of deze weg lang zal kunnen voortbestaan, maar als alternatief voor box 3 is het een overweging waard.

    Uw opdrachtnemers, VAR nadert zijn einde

    De aansprakelijkheid voor niet afgedragen loonbelasting en premies neemt toe. De ketenaansprakelijkheid is nu in alle sectoren van toepassing en de VAR, die de opdrachtgevers vrijwaart voor claims achteraf van fiscus en UWV, gaat verdwijnen. Volgens Staatssecretaris Wiebes worden opdrachtgever en opdrachtnemer "samen" verantwoordelijk, werkgevers en opdrachtgevers trappen er niet in en weten wel beter. Het zalvende "samen" betekent niet anders dan dat de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk is en zal moeten betalen als de ZZP'er toch werknemer blijkt te zijn of dat er gebruik is gemaakt ergens in diens toeleveringsketen van inhoudingsplichtige en premieplichtige arbeid. Er zijn voorbeeldovereenkomsten, die geen arbeidsverhouding tot gevolg zouden moeten hebben, die gelden alleen fiscaal en niet als er ook aanvullende afspraken zijn. Inmiddels is duidelijk dat er zeer veel soorten en maten ZZP'ers zijn en dat de nu gepresenteerde voorbeeldovereenkomsten aanvullende afspraken zullen opleveren. Weinig praktische betekenis dus. Ook zijn sommige overeenkomsten ronduit als arbeidsovereenkomsten aan te merken met alle juridische gevolgen van dien. Het gepruts door de politiek met de ZZP'er is nog lang niet over. We zullen zien of de afschaffing van VAR niet gewoon tot doel had om het groeiende aantal ZZP'ers af te stoppen. De huidige VAR blijft bij ongewijzigde omstandigheden van de ZZP'er in 2016 (vooralsnog tot 1 april 2016) geldig. Hoe een opdrachtgever dat moet controleren, heeft Wiebes er niet bij gezegd… Vermoedelijk "samen" met de ZZP'er, zal hij voor ogen hebben. Onze tip, zoek de voor uw sector toepasselijke modelovereenkomst, laat deze beoordelen door een arbeidsrecht jurist en kijk of u er mee uit de voeten kunt. Bij twijfel zorg ervoor dat loonbelasting en premies worden aangegeven, houd het bedrag in en maak bezwaar tegen uw eigen aangifte. Als u dat een keer doet in samenspraak met de ZZP'er dwingt u de inspecteur tot een standpunt.

    G-rekening verdwijnt
    Niet alleen de G-rekening verdwijnt per 1 januari 2016, ook rechtstreeks storten bij de fiscus zal niet meer mogelijk zijn. Houdt dus voldoende in en overweeg een eigen stichting met bankrekening om het geld in afspraak met de onderaannemers op een derdengeldrekening te storten, zodat het enigszins buiten de risicosfeer blijft.

    Uw werknemers’ loon of beloningscomponenten
    Onkostenvergoedingen en declaraties moesten al beoordeeld worden, er kan niet zoveel meer, bij twijfel loon met eindheffing aangeven in de werkkostenregeling. Per 1 januari 2016 komt daarbij dat rentevoordeel op personeelsleningen tot het loon moet worden gerekend. Uiteraard blijft de aftrek in de LB voor de werknemer in stand en om extra loon(afdracht) te voorkomen, is het wellicht haalbaar om de rente naar een zakelijk niveau te brengen. Netto zou er dan niet zoveel achteruitgang bij de werknemer zijn, terwijl uw loonkosten binnen de perken blijven. Het rentevoordeel mag overigens niet worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel in de werkkostenregeling.

    Lees verder
  • Verhuur van multifunctionele garageboxen toch vrijgesteld van BTW Door Wijnkamp Keulers op 29-09-2015

    Schreven wij een jaar geleden nog dat de Rechtbank Zeeland-West-Brabant had geoordeeld dat, ook al is er sprake van een multifunctionele ruimte, de verhuur van een garagebox met BTW belast is. Inmiddels heeft het Hof Den Bosch geoordeeld dat de verhuur van garageboxen wel vrijgesteld is van BTW, als er sprake is van een ruimte die niet als zodanig wordt gebruikt.

    De Rechtbank vond nog dat een garagebox een garagebox 1 en het gebruik niet uitmaakt, dus belast met BTW.

    Het Hof daarentegen oordeelt, dat de garageboxen onroerende zaken zijn, die naar hun aard en inrichting gebruikt kunnen worden voor meerdere doeleinden en derhalve multifunctioneel zijn. Ter zake van multifunctionele ruimte is in een besluit van het Ministerie van Financiën bepaald dat, wanneer deze multifunctionele ruimte primair voor andere doeleinden dan het parkeren van auto's kunnen worden gebruikt, er in beginsel geen sprake is van de verhuur van parkeerruimte, maar van verhuur van een onroerende zaak, welke verhuur is vrijgesteld van BTW.

    Vaak is in de huurovereenkomst garagebox opgenomen dat deze bestemd is voor garage/bergruimte. Hiermee staat vast dat zowel het stallen van een auto, als een andere benutting, namelijk als bergruimte, door partijen contractueel niet is uitgesloten. Naar de mening van het Hof kan op grond hiervan het vertrouwen worden ontleend dat de verhuur van garageboxen is vrijgesteld van omzetbelasting, aangezien deze in de praktijk primair voor andere doeleinden worden gebruikt dan het stallen van een auto.

    Lees verder
  • Landbouwvrijstelling afgeschaft of beperkt? Door Wijnkamp Keulers op 22-09-2015

    Wederom gaan er geruchten dat de werking van de landbouwvrijstelling wordt ingeperkt. Deze keer lijkt het te gaan om de opmerkingen, die de redactie van een vaktijdschrift heeft geplaatst als commentaar bij het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015, waarin jaarlijkse herwaardering werd afgewezen. Het aangaan van een (man-vrouw) maatschap zou niet meer een oorzaak voor herwaardering kunnen zijn, althans de Belastingdienst zou studeren op bestrijding van deze methode, zo zeggen de geruchten. Er zou op korte termijn nog met een maatschap moeten worden gewerkt om deze met terugwerkende kracht per 1 januari jl. te laten ingaan.

    Op het eerste gezicht lijkt het wat ver gezocht en er zijn in de vakliteratuur ook andersluidende visies te vinden. Niettemin is er ten aanzien van landbouwgrond met een lage boekwaarde wel zorg op zijn plaats. Er is op dit moment geen directe aanleiding tot vrees voor verdere inperking, niettemin blijft de landbouwvrijstelling voor velen een vreemde en onterechte "eend in de bijt'. Voor zover de portee van de geruchten is, dat er actie moet worden overwogen, staan wij daarachter. Wij hebben nooit veel gezien in de proefprocedure die, zo is inmiddels duidelijk, niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Zelf actie ondernemen blijft aan te raden, wij hebben dat al eerder aangegeven.

    Nu de proefprocedure voor nog meer onduidelijkheid heeft gezorgd en dus in dat opzicht als volkomen mislukt moet worden beschouwd, is de vraag hoe nu verder. Moet je je iets aantrekken van deze geruchten. Wij vrezen van wel, al was het maar omdat door dit soort gedoe de landbouwvrijstelling weer volop in de schijnwerpers staat. Wat moet je dan doen… nog snel een maatschap of voorovereenkomst tekenen? Is dat dan voldoende?

    Het is nu de vraag, of het aangaan van een maatschap op zich voldoende is, nog daargelaten of de terugwerkende kracht wel werkt in dit kader. Als de Belastingdienst gemaakte afspraken herziet en het standpunt van de redactie van het vakblad tot beleid zou maken, is er een probleem. Niet, omdat nu al vaststaat dat het niet gaat werken, maar er is een probleem, omdat het mogelijk niet genoeg is en niet zeker is, dat er nog gelegenheid is tot herstel.

    Er zijn alternatieven voor de maatschappen denkbaar. Het gaat er daarbij om dat er sprake is van winstrealisatie op het gewenste moment en dat die winst is vrijgesteld. Het zou kunnen, dat daarover bij het aangaan van een willekeurige maatschap vraagtekens bij te plaatsen zijn. Vooral in situaties, waar feitelijk niets verandert en de inbrenger na het einde van de maatschap de gronden weer terugkrijgt, zitten in de discussie zone. Het realiseren van winst, die vervolgens is vrijgesteld, is niet geheel op één lijn te stellen met herwaarderen of verhogen van de boekwaarde, het zou kunnen zijn dat daarop meer dan nu de focus komt te liggen. Wilt u de huidige vrijstelling benutten, dan is maatwerk noodzakelijk. Standaard regelingen of volgen van collectieve acties zien wij minder in, voorlopig met recht, zo lijkt ons.

    Lees verder
  • Fiscus plaatst hek om Nederland om DGA’s binnen te houden Door Wijnkamp Keulers op 18-09-2015

    Met de dreigende lastenverzwaringen voor ouderen en DGA’s in het vooruitzicht zijn er inmiddels maatregelen genomen, vooruitlopend op het belastingplan 2016, om fiscale emigratie en verplaatsing van ondernemingen te ontmoedigen. Men heeft een emigratie-lek geconstateerd en dat moet worden gedicht, zo is de gedachte. Kennelijk is de situatie zo acuut dat per 15 september jl. de maatregel al is ingegaan. Als het om geld binnenhalen gaat, is wetgeving met terugwerkende kracht geen enkel probleem in Nederland. Vrees voor kapitaalvlucht staat weer bovenaan de agenda in Den Haag.

    Wat is er aan de hand

    Als mensen met een aanmerkelijk belang (meer dan 5% aandelen in een BV) emigreren, krijgen ze van de Belastingdienst een zogenoemde conserverende aanslag over de waardegroei van hun bezit in de periode, dat zij in Nederland woonden. Op dit moment hoeft een emigrant deze aanslag alleen te voldoen als (nagenoeg) alle winstreserves in de vennootschap worden uitgekeerd of bij verkoop van de aandelen. Zolang dit niet gebeurt, hoeft de aanslag niet te worden betaald. De conserverende aanslag wordt kwijtgescholden na 10 jaar verblijf in het buitenland, er wordt geen invorderingsrente gerekend.
    Die kwijtschelding wordt geschrapt, De conserverende aanslag blijft voortaan voor onbepaalde tijd openstaan. Daarnaast verdwijnt de bepaling, dat emigranten met een aanmerkelijk belang de conserverende aanslag slechts hoeven te voldoen bij een winstuitkering van 90% of meer. Voortaan moet bij iedere winstuitkering naar rato belasting worden betaald. Dit zou moeten voorkomen dat mensen met een aanmerkelijk belang na emigratie een aanzienlijk deel van de winst incasseren zonder dat de Nederlandse fiscus dit (volledig) in de heffing kan betrekken. Volgens het kabinet betalen geëmigreerde aanmerkelijk belang-houders straks evenveel en op hetzelfde moment belasting als niet-geëmigreerde aanmerkelijk belanghouders.
    Nu is er inderdaad wel wat aan de hand. Emigratie naar Malta en dat soort staten van een DGA en daarna 85% van de winst uitkeren, dat kwam veelvuldig voor. Dus de fiscus heeft inderdaad wel een punt. Niettemin is bij emigratie er juist geen sprake van gelijke behandeling tussen binnenlanders en buitenlanders. Immers, Nederlandse AB winst wordt pas belast, als die wordt behaald en niet op een moment van verhuizing van de DGA. Een conserverende aanslag is een momentopname, die belastbare fiscale reserves vaststelt op één moment. Er moet een fictieve koopsom voor de aandelen worden geschat met alle geduvel van dien bij actieve BV’s, want bepaal maar eens de waarde van een lopend bedrijf.
    Bij verkoop of winstuitkering gaat Nederland heffen, niet alleen binnen 10 jaar maar ook daarna. De belastingverdragen ter voorkoming van dubbele belasting kennen veelal een regeling dat Nederland gerechtigd is de AB-winst te belasten binnen 5 jaar, na 5 jaar moet Nederland het woonland voor laten en zal de aldaar geheven belasting moeten worden verrekend. Nederland moet, volgens internationaal belastingrecht, ook rekening houden met waardedaling van de aandelen. Dat was ook al zo bij de huidige regeling, nu wordt dat door de onbepaalde tijd een nog grotere puzzel.

    Lees verder
  • BTW ten onrechte terugvragen of niet afdragen, is geen goed idee Door Wijnkamp Keulers op 30-07-2015

    Het is een verboden vrucht, die iedere ondernemer kan verleiden. Als je even krap zit .,. sjoemelen met de BTW-aangifte en meer terugvragen of minder afdragen in de hoop dat het een maand of een kwartaal later wel weer kan worden ingelopen. Dat kan een dure grap worden, naheffing met boete is wel het minste dat tegemoet gezien kan worden en soms wordt het de Officier van jJstitie en vervolging wegens fraude. Niet doen ... is het enige bruikbare advies.

    De Rechtbank Den Haag kreeg onlangs een zaak te behandelen van een vrouw, die als bestuurder van een BV in oprichting (i.o.), op aangifte omzetbelasting had teruggevraagd voor in totaal € 7.500. Tijdens een hoorgesprek had ze aangevoerd, dat ze geen geld meer had om van te leven en dat het daarvoor was gebruikt. Er waren geen ondernemersactiviteiten geweest en geen facturen. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd van € 7.500 en een boete opgelegd van 50% van de nageheven belasting, ofwel € 3.750. Omdat het over 2008 ging, werd ook nog eens € 1.051 heffingsrente in rekening gebracht. De vrouw ging in beroep bij de Rechtbank, maar ze kreeg geen poot aan de grond. De Rechtbank vond dat de vrouw niet aannemelijk had gemaakt, dat omzetbelasting in rekening was gebracht, die als voorbelasting voor aftrek in aanmerking komt. Ook de boete van 50% was terecht, omdat het aan opzet is te wijten dat ten onrechte teruggaven omzetbelasting zijn verleend.

    Ondernemers zijn onbetaalde incasseerders voor de Staat, zij moeten inhouden en afdragen of in rekening brengen en afdragen. Op niet naleven van de regels staan zware boetes, en in steeds meer gevallen wordt de strafrechter in geschakeld als de inspectie of de FIOD fraude vermoedt. Als u als ondernemer met de FIOD of de recherche te maken krijgt, dan leert u dit land op een hele nare en zeer ingrijpende manier nader kennen. Er is weinig begrip voor ondernemers, die sjoemelen met de regels en te weinig afdragen. Het begint vaak met "even" wat lucht happen door BTW een maandje later af te dragen en de aangifte daarop aan te passen. Vooral mei, juni en juli zijn beruchte tijdvakken. Dat weet de fiscus ook, controles worden strakker. Niet doen dus ... verzin iets anders en verzin het op tijd. Sjoemelen met aangiftes kan echt niet !

    Lees verder

Laatste nieuws

Nieuws

  • Verminder fiscale regels, die ergernis oproepen Door Wijnkamp Keulers op 11-07-2017

    Emeritus-hoogleraar L Stevens roept de politiek op om regels, die irritatie opwekken, af te schaffen. Aanleiding is de onmogelijkheid om af te zien van renteaftrek op hypothecaire geldlening eigen woning om zo het forfait te kunnen ontlopen. Ook de renteregels, die ertoe kunnen leiden dat 4 of 8% verschuldigd is of de wettelijke rente, terwijl bij teruggave lang niet altijd het spiegelbeeld wordt gehanteerd, bekritiseert hij. Hij pleit voor een tussentijdse schoonmaakactie aan te kondigen op Prinsjesdag.

    Stevens heeft natuurlijk groot gelijk, zo noemt hij het 8% rente voor rechtspersonen “woekerachtig”. Hij benoemt een aantal problemen, maar er zijn er veel meer. Torenhoge boetes bij aangifte belastingen, bij één dag te laat betalen al aanmaningen en boetes bij herhaling, ZZP’ers het leven zuur maken, gebruikelijk loon willen heffen van start-up ondernemingen die nog niks verdienen, veel te hoge voorlopige aanslagen, talmen met BTW teruggave, 30% regelingen voor buitenlandse starters willen afschaffen, weinig bereidheid tot medewerking aan crediteurenakkoorden en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

    Veel knelpunten zijn wel op te lossen, maar alleen als je goede adviseurs inhuurt, die het systeem kennen. Zo kan bij de eigen woning het forfait en de aftrek aan de fiscale partner worden toegerekend, waarbij dat het beste uitkomt. De nadelen zijn dan veel minder, maar je moet het maar net weten en het kost wel advieskosten.
    De overheid slaagt er maar niet in om aan te haken bij een samenleving, die digitaliseert en verduurzaamt. Dat is goed zichtbaar bij het heffen van belastingen, bij elke nieuwe ontwikkeling zet de bureaucratie de pauwenveren uit en stelt het eigen inkomensbelang voor op vrijwel elke andere ontwikkeling. Dat roept het beeld op van krampachtig regie en controle willen houden en ontwikkelingen afremmen, daar waar het de overheidsbureaucratie beïnvloedt. Dat de wijze van belasting- en premieheffing al lang niet meer aansluit bij de maatschappelijke ontwikkelingen is geen discussie meer, hoe in een duurzame, transparante en innovatieve samenleving de overheid met het heffen van belastingen in plaats van rem initiator wordt, dat is wel volop in discussie. We zijn er voorlopig nog niet uit, dus misschien is inderdaad een tussentijdse schoonmaakactie noodzakelijk en ook het optimaal haalbare.

    Lees verder
  • Wel of niet bedrijfsvermogen, let op bij beleggen vanuit BV en onderneming Door Wijnkamp Keulers op 19-05-2017

    De BV en de onderneming zijn tot ergernis van het Ministerie van Financiën steeds meer in gebruik om aan de verafschuwde box 3 heffingen te ontkomen. Voor velen is de gedachte mogelijkheid om het verlies uit niet terugbetaalde leningen van winst te kunnen afboeken eveneens aantrekkelijk. Ook het kunnen toepassen van de zogenaamde BOR (bedrijfsopvolgingsregelingen) om zo betalen van erfbelasting en schenkbelasting te kunnen voorkomen, is aantrekkelijk. Niettemin wordt steeds meer duidelijk dat lang niet alle verstrekte financieringen als bedrijfsvermogen kunnen gelden. Het moet gaan om financieringen die passen in de onderneming en niet riskanter dan gebruikelijk zijn en er moet niet alleen maar sprake zijn van normaal vermogensbeheer met overtollige liquide middelen, die langer vaststaan.

    Hof Den Bosch
    Het ging hier om een tandarts, die kennelijk zijn broer wilde helpen en zijn hulp verpakte in de vorm van een lening. De broer had 75% van de aandelen in een BV, die een visverwerkingsbedrijf exploiteerde, de zaken gingen kennelijk slecht. De tandarts betaalde wat rekeningen van de BV en leende verder aan de broer € 500.000. In eerste instantie nam de tandarts de vordering op zijn broer en diens BV op in box 3, toen de BV failliet ging claimde de tandarts dat het eigenlijk ondernemingsvermogen was geweest en dat het verlies door niet terugbetaling aftrekbaar was. De rechtbank Zeeland West Brabant vond dat er gewoon box 3 vermogensbeheer was geweest, de aanvankelijke keuze voor box 3 was daar vermoedelijk mede debet aan. Het Hof Den Bosch was het daarmee eens.

    Kan het helemaal niet?
    Jawel, maar het moet wel passen binnen de normale ondernemingsactiviteiten en er moet meer gebeuren dan alleen beleggen. Vooral bij BV’s met alleen exploitatie van onroerende zaken of beleggingen begint de Belastingdienst moeilijk te doen. Weliswaar is box 3 dan niet direct aan de orde, maar waarderingsvraagstukken, gebruikelijk loon en niet toepasselijk zijn van BOR en ondernemingsfaciliteiten leveren gedoe op. Het eerst onderbrengen in box 3 en daarna claimen dat het toch ondernemingsvermogen was, is natuurlijk niet handig, goed plannen en een heldere intentie en uitvoering helpt beter.


    Hof Den Bosch 17 maart 2017; ECLI:NL:GHSHE:2017:1065

    Lees verder

Agro nieuws

  • Beleggingen binnen een BV met onderneming, vallen niet onder bedrijfsopvolgingsfaciliteit, … of toch wel? Door Wijnkamp Keulers op 21-04-2017

    De rechtbank Den Haag heeft voor de verkrijging door erfgenamen van aandelen in een Beheer BV, die een stoomschip heeft opgebouwd en exploiteert, beslist dat het stoomschip geen ondernemingsactiviteit betrof. Dit ondanks het feit dat beheer BV 100% aandeelhouder was van een dochter BV, die zich bezighield met onderhoud en verhuur van stoomketels, wat wel als ondernemingsactiviteit werd aangemerkt. Het lijkt er echter op dat de rechtbank ook ruimte geeft voor een iets slimmere manier van exploiteren, althans dat met betere onderbouwing van standpunten, er wel sprake zou kunnen zijn van ondernemingsactiviteit en dus toepassing van de BOR. Plannen en goed procederen is dus noodzaak en geen overbodige luxe.

    DGA overleden
    De betreffende DGA had kennelijk 100% van de aandelen in een Holding BV, die naast het houden van aandelen in een dochtervennootschap, die handel en onderhoud in stoomketels verrichtte, een stoomschip gedurende 10 jaar had opgeknapt en er flink in had geïnvesteerd (ca 8 mio in een periode van 10 jaar). Het schip was uiteindelijk nog niet helemaal af, maar werd al wel tegen enige betaling als museumschip en uithangbord voor het bedrijf van de dochter BV ingezet. Het stoomschip en de daarvoor bestemde liquide middelen bedroegen op de overlijdensdatum 85% van het vermogen van de beheermaatschappij. De aandelen werden geërfd door de echtgenoot, die deed een beroep op de BOR, de waarde van de aandelen was ca € 2,1 mio.
    Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de aanwezige liquide middelen ter afbouw van het schip en het schip zelve als belegging aangemerkt en deze niet onder de BOR laten vallen. De vraag speelt of een in eigen beheer opgebouwd stoomschip ondernemingsvermogen vormt en derhalve recht bestaat op toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit bij de verkrijging van de aandelen.

    Rechtbank Den Haag
    Rechtbank Den Haag overweegt dat beoordeeld moet worden of op de overlijdensdatum de exploitatie van het schip deel uitmaakte van de materiële onderneming van de dochtervennootschap of op zichzelf als het drijven van een materiële onderneming kan worden aangemerkt binnen Beheer BV. In Beheer BV is geen sprake van een ondernemingsexploitatie volgens de rechtbank. De bouw van het schip met de hiervoor bedoelde loods en het verkrijgen van vergunningen heeft ongeveer tien jaar geduurd en kostte circa € 8 mio. Het schip is vooral gebruikt als museumschip voor recreatieve vaart. Dit gebruik kan bedrijfsmatig zijn, maar gezien de hiermee behaalde opbrengsten is geen sprake van een kostendekkende exploitatie, ook in de toekomst zal er dik geld bij moeten naar verwachting. De rechtbank vond dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat met de exploitatie winst werd beoogd of redelijkerwijs kon worden verwacht. De rechtbank oordeelt daarom dat het stoomschip niet op zichzelf als een bedrijfsmatige activiteit kan worden aangemerkt binnen Beheer BV.

    Ook toerekening aan de onderneming van de dochter was niet aan de orde. De dochter houdt zich bezig met weliswaar de handel in - en verhuur van- stoomketels, maar hoe het stoomschip hierin past, is niet duidelijk gemaakt door de belanghebbende echtgenoot. Dat de ketel van het schip wordt gebruikt voor het testen en ontwikkelen van nieuwe brandstoffen, het schip wordt ingezet bij het reinigen van schepen en bij het repareren van defecte stoomketels en als zodanig een verlengstuk van de onderneming vormt, is door belanghebbende niet voldoende gesteld en aannemelijk gemaakt. Ook is onvoldoende onderbouwd dat als dit al tot bruikbare resultaten in de toekomst kan leiden, deze activiteiten voldoende opbrengsten genereren en onderdeel uitmaken van de bestaande onderneming. Omdat het schip niet tot het ondernemingsvermogen van beheer behoort, valt de waarde daarvan en de voor de afbouw beschikbare liquide middelen niet onder de BOR.

    Welke voorzet geeft de rechtbank
    Belanghebbende had aannemelijk moeten maken dat het stoomschip op zichzelf als een bedrijfsmatige activiteit kan worden aangemerkt, dan wel wordt gebruikt als verlengstuk van de onderneming van de dochter. Het gaat er dus om, om de functie van het stoomschip voor de handel van de dochtermaatschappij duidelijker te maken en/of de exploitatie van het schip zelve bedrijfsmatiger op te zetten.

    Gedacht kan worden aan het gebruik als schip primair bestemd voor opleiding en cursussen, als examenschip, als schip gebruikt voor het reinigen van schepen, het repareren van defecte stoomketels, als sleepboot, als onderzoeksschip, partyschip etc. Al die activiteiten bij elkaar, en in combinatie met de dochter BV (samenwerkingsovereenkomst, de dochter betaalt mee ...) moeten enige uitzicht op winst geven.

    Geldt voor alle beheermaatschappijen
    Er lijkt met betere planning, betere regelingen tussen dochter BV en Beheer BV en ietsje slimmer procederen een beter resultaat haalbaar te zijn geweest. In hoger beroep de zaak wat beter presenteren moet dus sowieso in dit soort gevallen, maar daarnaast helpt de zaken vooraf beter inkleuren natuurlijk veel meer. Als je alles tijdens de beroepsprocedure nog moet verzinnen, ben je als cliënt en adviseur gewoon te laat. De les is er voor alle DGA’s met beheermaatschappijen met panden en andere vermogensbestanddelen (belegde pensioenreserves), die ook in box 3 door particulieren worden belegd. Zorg voor voldoende activiteit en maak dat aannemelijk. Kortom pleeg onderhoud aan je BV. Eigenwijs gepruts in de marge en bezuinigen op je adviseurs kost geld en dat is in veel gevallen te vermijden.

    Rechtbank Den Haag van 9 maart 2017 (nr. 16/1684, ECLI:NL:RBDHA:2017:3400)

    Lees verder
  • Actualiteiten land- en tuinbouw Door Wijnkamp Keulers op 17-01-2017

    Inhuur ZZP'ers blijft riskant
    Met het afschaffen van de VAR loopt de opdrachtgever meer risico bij inhuur van zelfstandigen. De opschorting van de Wet DBA biedt niet veel zekerheid, de VAR is daarmee niet terug. Het gebruik van modelovereenkomsten van de Belastingdienst, die LTO heeft laten goedkeuren, en goed opletten dat er niet toch een arbeidsovereenkomst wordt geconstateerd, is de enige bruikbare weg.

    Verkoop land onder voorbehoud van (reguliere) pacht fiscaal aantrekkelijk
    Verkoop van eigendomsgrond onder voorbehoud van pacht kan het fiscaal ondernemingsvermogen aanzienlijk verminderen. Als er geen opvolgers zijn, kan op deze wijze toch een aanzienlijk fiscaal voordeel worden behaald, het gemis van de BOR kan in combinatie met gefaseerd schenken tot zeer aanzienlijke besparingen in de IB en erfbelasting leiden. Zelf regie houden en niet afhankelijk zijn van de kinderen, is voor veel ouders essentieel. Ook een onverwachte echtscheiding bij een van de kinderen mag geen probleem worden. Let op met familiestichtingen en fictief legaat, ga niet alleen bij de notaris of de accountant te rade, want de fiscale- en juridische uitwerkingen zijn niet voor iedereen doenlijk.

    Bedrijfsopvolging
    De BOR (bedrijfsopvolgingsregeling) heeft zijn langste tijd wel gehad en in combinatie met een mogelijke verhoging van het tarief in de erfbelasting dreigt een aanzienlijke verslechtering. Alle reden om nu actie te ondernemen. Ook voor ondernemers, die geen opvolgers hebben, geldt dit. Bij landbouwers en andere ondernemers met fors eigen vermogen is er bijzondere aandacht voor de schulden in de onderneming, worden die mee overgenomen dan is er een hogere grondslag voor de BOR op grond van een wettelijke bepaling, dit in tegenstelling tot leningen die zelf worden aangegaan, die vallen daar niet onder (HR 12 juli 2013).

    Geen landbouwregeling btw meer per 1 januari 2018
    De landbouwregeling in de btw gaat verdwijnen. Per 1 januari 2018 gaan alle landbouwers de btw in.

    Pachter betaalt geen pacht
    Als een pachtovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd en ook niet is goedgekeurd door de Grondkamer, kan de niet betaalde, maar wel verschuldigde pacht, niet in rechte worden ingevorderd door de verpachter. Een verpachter zal eerst moeten zorgdragen voor schriftelijke vastlegging en goedkeuring van de pachtovereenkomst, voordat hij de pacht kan incasseren via de pachtrechter. De verjaringstermijn ter zake van het invorderen van de achterstallige pacht begint iedere keer op het afgesproken moment van betaling. Voor de verjaringstermijn is het niet van belang of de Grondkamer de pachtprijs bij goedkeuring eventueel naar boven of beneden vaststelt. Ook het tijdstip van goedkeuring van de pachtovereenkomst is niet van belang voor de aanvang van de verjaringstermijn, heeft het Hof Arnhem onlangs bepaald. 

    Dwing inspecteur tot een beslissing
    Soms duurt het wel erg lang voordat een inspecteur beslist op een ingediend bezwaarschrift. As een inspecteur er te lang over doet, dan is er een mogelijkheid om wat extra druk te zetten.
    Onlangs heeft het Hof Den Haag beslist dat de Belastingdienst € 1.260 aan dwangsom moest betalen, € 166 aan griffierecht en € 1.488 aan kostenvergoeding moest betalen aan een belanghebbende, die klaagde over het maar uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift. De inspecteur was in beroep gegaan tegen een eerdere beslissing van Rechtbank, die hem ook al ongelijk had gegeven.
    Als een inspecteur maar blijft talmen met het doen van uitspraak, is er een mogelijkheid om de Belastingdienst in gebreke te stellen. De inspecteur moet daarna dan binnen zes weken beslissen, doet hij dat niet, dan gaat een dwangsom lopen, die kan oplopen tot maximaal € 1.260. Ook is bij het verder voortduren van de weigering het mogelijk om rechtstreeks naar de rechter te gaan.

    Herwaardeer uw landbouwgrond
    Inmiddels is duidelijk dat herwaardering van landbouwgrond relatief eenvoudig kan plaatsvinden door inbreng in een maatschap of Vof, winstverdeling wijzigen of verkoop aan een BV i.o. te laten plaatsvinden. De laatste methode is ook een nog steeds probaat middel tegen onteigening voor een te lage prijs of tegen een dreigend gemeentelijk voorkeursrecht. Onteigeningen en vestiging van een voorkeursrecht zijn weer opportuun met het aantrekken van de woningmarkt. Let wel op toepassing van de BOR (bedrijfsopvolgingsregeling). Met een slechte regie kan een deel van de grond buiten de regeling gaan vallen.

    Bouwvergunning onherroepelijk, soms biedt het eigendomsrecht soelaas
    Inbreuk op eigendomsrechten van een derde is ook met een geldige bouwvergunning niet toegestaan. Een eigenaar van een vrijstaande woning zag tot zijn schrik dat een gemeente een vergunning had verleend voor een aanbouw, die geschakeld zou worden aan zijn woning en deels op zijn grond zou worden gebouwd. De gemeente had de publicatie plaats laten vinden zonder de omwonenden persoonlijk in te lichten, de bezwaartermijn was verlopen. Door de buurman te dreigen met juridische actie als op zijn eigendom inbreuk gemaakt zou worden kon de (aan)bouw worden voorkomen. Bij landbouwers zijn recht van uitpad en erfdienstbaarheden nogal eens spelbreker voor buren met bouwplannen. Check dus ook altijd de zakelijke rechten.

    Wie trekt de btw bij nieuwbouw af
    Bouwt u een nieuwe woning of stal en wilt u de btw aftrekken, kijk dan goed wie de eigenaar is van de onroerende zaak, wie opdrachtgever is en ten name van wie de facturen staan. Bij maatschappen en Vof's kan het fout gaan, ook bij echtelieden die niet in algehele gemeenschap zijn getrouwd kunnen problemen ontstaan. Let voor de IB op regelingen inzake ongebruikelijke ter beschikking stellingen en niet aftrek van rente. Privévermogen? Let dan op box 3 en toepassing BOR.

    Lees verder
Follow us
email
twitter
facebook